HomeDe aprilbewegingPagina 138

JPEG (Deze pagina), 853.70 KB

TIFF (Deze pagina), 6.69 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

, -­­ l33 -
geen ander regt heeft, dan het belang der maatschappij en
van haar leden, wordt ook door ons gaarne erkend. Dat
belang - maar goed-begrepen, zoodat b. v. geen onloochen-
bare en onvervreemdbare regten van een minderheid, van
een individu, aan het onstuimig geschreeuw eener getals­
meerderheid "in het belang der openbare orde en rust”
stelselinatig worden ten offer gebragt- erkennen ook­wij als
het eenig-ware beginsel eener menschelijke strafwvetgeving.
lMaar valt, wanneer men dat beginsel aanneemt, het onder-
scheid tusschen praeventieve en repressieve strafbepalingen
weg? Vwle meenen van neen. lVelk is het onderscheid
tusschen die beiden? Het onderscheid is dit: dat iedereprae­
oeutéeee strafbepaling een daad strafbaar maakt, niet- dat
spreekt wel van zelf- "vóórdat zij gepleegd is," en ook
niet altüd terwijl ze "op zich zelve niet strafbaar is," maar
in het algemeen omdat ze is gepleegd zonder goedvinden
oem den ötacit, niet volgens de regels die de Staat heg? voor-
getee/cend; - dat daarentegen een repressieve strafbepaling
de vräheid tot eigenmagtig handelen aan het individu of aan
het zedelük ligchaam laat, en de handeling alleen-dan straft
wanneer ze feitelük inbreuk heeft gemaakt op de regten van
anderen of van het geheel. En nu kan immers zeer goed de
grondwetgever ­ die de hoogste strafwetgever in den Staat
is ­ van oordeel zgn geweest dat, juist in het belang der
maatschappij en van haar leden, een bepaalde reeks van han-
delingen door de grondwet volkomen­vrijgelaten en dus alleen-
repressigf gestraft moest worden; ­ juist omdat beperking
der vrijheid nog­nadeeliger voor den Staat zou werken, en uit
dien hoofde den gewonen wetgever de mogelnkheid moest beno-
i men worden, het eerste beginsel eener goede strafwetgeving te
schenden. Het blgft dus wel degelijk de vraag, of hij niet,
ook aan de kerkgenootschappen, die volkomene vrijheid
heeft gegeven; ­ met andere woorden: of een strafwet die
schijnbaar "in het belang der maatschappij en van haar le-
den" is, niet in het wezenlqk belang van beiden door den
hoogsten strafwetgever is uitgesloten.
Soms heeft men een zeer eenvoudig middel gebezigd,
om tot een bevestigende beantwoording van die vraag te
geraken; ­ om te bewäzen, dat praeventief staatstoezigt op
de kerkgenootschappen door de grondwet verboden is. Zij
erkent namelük (in art. 164) het regt van het individu on1
zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid te be-
«