HomeDe aprilbewegingPagina 136

JPEG (Deze pagina), 817.74 KB

TIFF (Deze pagina), 6.68 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

- 131 -
minal haar verbindende kracht in N oord­Nederland ­ zoo ze
die ooit mogt bezeten hebben ­ voor­altijd ontnomen heeft. I
Haar tweede additioneel artikel heeft alleen de "in werking
z@'vzcZe" wetten in stand gehouden. En wanneer we nu op-
merken, hoe de Regering in 1814 en 1815 een menigte pun-
ten, waaromtrent in die wet was voorzien,heeft geregeld ge-
heel buiten haar om of tegen haar in, en wel zonder haar
ooit te noemen, dan zullen we moeten erkennen, dat de wet
van Germinal in 1815 moeüelijk onder de "in werking zq'nde"
wetten kon worden gerangschikt.
De slotsom van al het voorgaande laat zich nu in deze
weinige woorden zamenvatten: het Aprilministerie heeft
zich ten onregte tot regtvaardiging züner handelingen
op de wet van Germinal beroepen; ­ dat beroep moet als
ongegrond worden afgewezen. 1/Ve waren verpligt dit zoo
uitvoerig in het licht te stellen, omdat daardoor aan de wet
op de kerkgenootschappen en haar terugwerkende kracht een
van haar hechtste steunsels wordt ontnomen; ­ omdat het
daardoor blijkt dat de kerkregeling der Roomsch­katholie­
ken niet in strijd is geweest met een bestaande staatswet; ­
dat derhalve het Aprilministerie strafbaar heeft gemaakt
wat vóór de invoering der strafwet was geschied, en als
onwettig vernietigd wat volkomen had vrijgestaan. Het
behoeft dan ook naauwelijks gezegd te worden dat het punt,
tüdens de beraadslagingen in de Tweede Kamer, door on-
derscheiden leden werd aangedrongen ‘. En ­ het verdient
opmerking - buiten het ministerie heeft slechts een enkele 2
de voortdurende geldigheid der wet als een ontwijfelbaar
iets durven volhouden.
Maar de beslissende strijd werd eigenlijk gevoerd op een
ander terrein. Die strijd liep over de vraag, inhoever het
stelsel van "billijke bevrediging" grondwettig mogt genoemd
worden, - inhoever de aanhangige wetsvoordragt in over-
eenstemming was met den geest en de letter der grondwet.
Het Aprilministerie ging in zijn bevredigings-ontwerp van het
beginsel uit, dat de Staat het regt heeft om in het belang van
orde en rust door maatregelen van praeventievcn aard op de
regeling en inrigting der kerkgenootschappen invloed uit te
oefenen; ­ nu was de groote vraag, of dat beginsel grondwettig
1 Vooral door de heeren Meeussen, Srrens en Thorbecke.
’ De heer van der Brugghcn.
Qi?