HomeDe aprilbewegingPagina 116

JPEG (Deze pagina), 810.05 KB

TIFF (Deze pagina), 6.72 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

­- 111 ­--
Algemeen werd beweerd, dat de minister van Roomsch­
katholieke eeredienst van den eersten oogenblik af een te-
genstander van de wet was geweest, en dat zijn vertrek naar
_ · Rome daags-vóór hare indiening daarmeê in verband stond; ­
behelsde dat gerucht waarheid? Het is te begrüpen, dat 1
de Roomsch-katholieken er‘prijs op stelden, dat te weten.
Het is te begrijpen, dat ze weten wilden, of die minister
A verwijderd was, omdat zün stilzwijgen tädens de discussies j
over de wet haar welsprekendste bestrüding zou wezen. De
“ vraag werd dan ook in den loop der interpellatie opgewor-
pen. En het antwoord? Geen der ministers, ook de heer
Lightenvelt niet, had iets gedaan, "in strijd met de welbe-
grepen beginselen van ministeriële llOlI1GgG11€ïi3Gii11”; ­ zie-
daar de niet zeer "welbegrepen" inlichting, waarmeê men
zich voorloopig vergenoegen moest. Inmiddels kwam de
wet in openbare beraadslaging, en de minister die gerekend
moest worden de eigenaardige verdediger van de belangen
der Roomsclvkatholieken in den ministerraad te zgn, bleef H
maar-steeds afwezig. Met verdubbelden aandrang werd
nu de vroegere vraag herhaald. Tweederlei antwoord volgde,
beiden ontwijkend van aard, en het een met het ander in i
lijnregte tegenspraak. De Regering begon, met te verkla­ j
ren dat zij de klagten der Iioomsclnkatholieken over de .
afwezigheid van den heer Lightenvelt"niet begreep," "daar .
die minister niet zijnde vertrokken, vóórdat het onderzoek i
in den Raad afgeloopen en de wet vastgesteld was, de Ka- H
tholüke belangen in het ministerie verdedigd zün 2/’ En
wat liet ze daar, als in één adem, op volgen? Dat het
"moeijelijk" zou zijn, het gevoelen van den afwezigen mi- ·
nister over de wet aan de Tweede Kamer te doen kennen ,
"want het wetsontwerp , zoo als het thans aan nwe beraad-
slaging is onderworpen, luidt in zóóvele opzigten geheel an- ?
ders dan het vroegere, dat waarlijk die minister daarover 1
geene opinie kan geuit hebben 3." Het ministerie scheen .
niet te bemerken, hoe in deze laatste woorden de onvin-
willige bekentenis lag opgesloten, dat "de Katholnke belan-
gen" dan toch eigenlük niet in den ministerraad waren ver-
dedigd, vóór de wet was vastgesteld die thans aanhangig
/ was. Inmiddels liepen de algemeene beraadslagingen ten
‘ De heer van Hall (Ilandd. dl. I, p. 469). l
Q Idem (idem, dl. H, p. 345). 3 idem (idem, p. 340).
· l
i
I