HomeDe aprilbewegingPagina 107

JPEG (Deze pagina), 802.97 KB

TIFF (Deze pagina), 6.62 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

G V
- 102 ·-
te zijn ‘." Ik meen dat dit argument, meer nog dan een
der beide voorgaanden, onwederlegbaar is. Ik meen, dat
, de ongrondwettigheid eener exceptionele regeling van het
Staatstoezigt op de kerkgenootschappen er, bij uitnemend- .
heid treffend, door bewezen wordt.
Maar het Aprilministerie bekommerde zich daarom niet. In
zün stelsel van "bill§ke bevrediging ," kwam nu eenmaal zulk
een wet te pas. Naauw waren dan ook veertien dagen na
haar toezegging verloopen, of reeds werd ze bij de Tweede
Kamer ingediend. Den lsmn Julij werd de natie in staat
gesteld, die vrucht van "rijp beraad en naauwkeurig onder-
zoek2," dat voorbeeld van staatkundige wüsheid en voorbeel-
delooze onpartüdigheid , dat onwaardeerbaar middel om "hoog
gestegene bekommering op te hefïbn" en "onnxiskenbare span-
ning te bedaren" te leeren bewonderen.
Aan de toomelooze vrijheid der kerkgenootschappen zou
nu een einde worden gemaakt. Hun werd nog wel "vol-
komene vrijheid gelaten, zich met betrekking tot alles, wat
hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eige-
nen boezem betreft, te organiseren" (art. 1);- maar door
tweederlei bijvoeging werd die "volkomene vrijheid" weêr
. volkomen vernietigd; ­het kerkgenootschap zou verpligt zün,
"onmiddel§k” van heel de organisatie den Koning "volledig
kennis te geven" en ’s Konings “goedkeuring te vragen op
zoodianige bepalingen, waarvan de uitvoering niet zonder
medewerking van het Staatsgezag kan plaats hebben." Ze
kregen "volkomene vrijheid" ­ het is niet ten onregte o_pge­
merkt ­ om te doen wat een cmder zou goeclvimlen. Geen
zetel of standplaats van een bedienaar der openbare gods-
dienst zou meer mogen opgerigt of gewijzigd worden, dan
na voorafgaande goedkeuring van het Staatsgezag (art. 5).
Geen gebouw tot uitoefening der openbare godsdienst zou
men meer mogen stichten, wanneer de Regering het "in
het belang der openbare orde en rust" onraadzaam keurde
(art. 8). Geen vreemdeling zou meer een predikbeurt mo-
gen vervullen, zonder vergunning van het hoog Gezag
(art. 3). Ja, geen kerkelhk ambtsgewaad zou langer op
de openbare straat mogen gedragen worden (art. 7); - en
in gemeenten, waar kerken van meer dan één kerkgenoot­
' De heer Thorbecke (llandd., II, p. 493).
Memorie van toclichtinrr (idem, p. 4).