HomeDe aprilbewegingPagina 106

JPEG (Deze pagina), 804.71 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

-­­ 101 ­-
eenig aanbelang, waarvan men regeling door de wat ver-
langde, stelselmatig heeft aangewezen; - dan moet het onze
billijke bevreemding wekken, dat men juist omtrent een on-
derwerp, zoo hoogst­belangrijk als de betrekking der kerk-
genootschappen tot den Staat, of opzettelijk, of bij onge-
luk een uitzondering zou hebben gemaakt. Het een zoo-
, wel als het ander is, in den volsten zin des woords, on-
denkbaar. De eenig-mogelijke verklaring is deze: dat de
grondwetgever de kiem eener wettelijke regeling ook van
1 de kerkgenootschappelhke vrüheid heeft neêrgelegd in ar­
tikel 10.
Ook aan de geschiedenis der grondwetsherziening zou een
treffend bewijs te ontleenen zgn, dat de grondwetgever
iedere exceptionele regeling van de betrekking tusschen de
kerkgenootschappen en den Staat heeft willen uitsluiten. In
den loop der beraadslagingen over het zesde hoofdstuk werd
door den heer Uijtwerf Sterling voorgesteld, om het tegen-
woordige artikel 170 te vervangen door een nieuw artikel
van den volgenden inhoud: "De betrekking tusschen den
Staat en de verschillende kerkgenootschappen wordt bü eene
afzonderlijke wet op eenparigen voet geregeld? Onderschei-
den leden deelden dat gevoelen. En niettemin nam de
Tweede Kamer, maar met uitzondering juist van die leden:
het hoofdstuk, gelijk het door de Regering was voorge-
steld, onveranderd aan. Heeft ze daardoor niet uitdruklfelijk
iedere nadere, exceptionele regeling van het onderwerp uit-
gesloten?
Maar welligt wordt die bewijsgrond, aan de geschiedenis
der wet ontleend, door sommigen niet-ontvankelük ver-
klaard, omdat men alleen moet “vragen wat er staat." Ik
wil over het ongerümde van die meening niet met hen twis-
ten; - ik wil` hun niet door voorbeelden bewijzen, dat het
raadplegen van de geschiedenis eener wet dikwerf onmis-
baar is, wil men de eigenaardige kracht en beteekenis der
woorden leeren verstaan, en den wetgever niet het tegen-
deel in den mond leggen van hetgeen hij bedoeld heeft. Ik
wijs hen op iets anders. "De artt. 167 en 170 treden op
het gebied der gewone wet. Zoo nu evenwel de Grondwet
dergelijke punten niet aan de wet heeft gelaten, maar zelve
willen regelen, zij toont dan op geene bijzondere wetten j
ten aanzien der godsdienstoefening of der kerkgenootschap- I
pen, tot beveiliging van de openbare orde en rust, bedacht