HomeDe aprilbewegingPagina 105

JPEG (Deze pagina), 820.83 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

100 ­-
doeld heeft, dat die regeling niet zou uitmaken een onder-
deel van de algemeene wet op het regt van vereeniging en
vergadering, maar het onderwerp eener bijzondere wet ; ­
en inhoever dus in het algemeen wetten, gelijk er nu tot
opheffing der hoog­gestegen bekommering in de troonrede
een werd toegezegd, grondwettig kunnen genoemd worden.
`Wanneer we nu opmerken hoe de grondwet aan de kerk- 4
genootschappen als vereenigingen tot Godsvereering een
afzonderlük hoofdstuk heeft toegewijd ‘ , dan zouden we bij
een oppervlakkige beschouwing daaruit al­ligt de gevolg­·
trekking afleiden, dat ze dus ook kennelijk ten opzigte van
de kerkgenootschappen een mcea~­b@'z0ncZerc bescherming, een
meer­Z>qïz0n0Zer toezigt wil. En toch zou de gevolgtrekking
onjuist zün. `Waarom is bü gelegenheid van de grondwets-
herziening in 1848 dat afzomZm·Z;)`k hoofdstuk aan de kerk-
genootschappen toegewijd? Om geene andere reden dan
omdat het in de oude grondwet stond, terwül artikel 10 er
in 1848 voor het eerst in is opgenomen. En het is een
bekend feit, dat men in 1848 zelfs de opvolging of rang-
orde der artikelen onveranderd heeft gelaten, voorzoover
wüziging niet volstrekt-onvermijdelük was. Men heeft in
1848 het afzonderlijke hoofdstuk, dat in de grondwet aan-
wezig was, behouden, niet om daardoor de kerkgenoot-
schappen, voorzoover ze vereenigingen tot Godsvereering
zün, uit te sluiten van de algemeene wet op het regt van
Vereeniging en vergadering; - maar eenvoudig omdat men,
zelfs in den vorm der herziene grondwet, zoo min mogelük
de wet der historische continuiteit wilde breken. Trouwens,
had men met het behouden van dat afzonderlijk hoofdstuk een
ander doel gehad; ­ had men daarmeê willen te kennen ge-
ven, dat de betrekking der kerkgenootschappen tot den
Staat ook bij een afzonderlüke wet behoorde geregeld te
worden, ­ vanwaar dan, dat in heel het hoofdstuk niet geen
enkel woord van zulk een büzondere wet wordt gerept?
Wanneer we bedenken, dat vóór 1848 alles willekeurig ge-
regeld werd door Koninklijke besluiten; - dat het in 1848
mede een hoofddoel der grondwetsherziening is geweest,
het gebied der Koninklüke besluiten binnen enger grenzen
te beperken en de taak van den wetgever meer in büzon­
derheden aan te wüzeng ­ dat men alle onderwerpen van
I De heer Godefroi (Handd., dl. II, p. 279 en 280).