HomeDe cassatie-regtspleging in Frankrijk en eldersPagina 70

JPEG (Deze pagina), 640.21 KB

TIFF (Deze pagina), 6.89 MB

PDF (Volledig document), 70.31 MB

,1 W Y ~ · "”
i
I .
IC
- 56 --
ii welke de nieuwe wet geene nietigheid bedreigt, dadelijk
cassatie mag plaats hebben, en bij schending van de op
straffe van nietigheid voorgeschreven vormen eerst dan,
­ wanneer de requéöe cioile zonder gevolg gebleven is.
Zulk eene vraag betreffende nietigheid moet dus, eer zij I
aan de afdeeling voor burgerlijke zaken bij het Hof van
cassatie komt, reeds twee malen zijn behandeld geworden,
eenmaal voor den bevoegden regter, en de tweede maal
voor de requesten-afdeeling.
Door de Constitutie van 3 September 1791 werd den
Koning niet alleen het initiatief in de wetgeving onttrok-
ken, maar ook zijn oem tot den duur van twee wetgevende
vergaderingen beperkt.
Hij zou diensvolgens minder aandeel aan de wetgevende
magt hebben, dan zich vroeger de Parlementen toegeschre-
ven hadden. 1/Vanneer nu nog in art. 21 der wet van 1791
de koninklijke sanctie gemist werd, waarvan in art. 21 der
wet van 27 November 1790, met betrekking tot de door V
het wetgevende ligchaain uit te vaardigen authentieke i
wetsverklaring na de derde voorziening in cassatie sprake is,
. zoo ligt hierin niet zoo zeer eene verandering van karakter
van het Hof van cassatie, dan wel van het wetgevend gezag.
De repnblikeinsche staatsregelin gen en de onderscheidene
tot den keizertijd uitgevaardigde wetten over het Hof van
j cassatie bragten, met uitzondering van de wet van 27 Ven-
i töse VIII, eveneens geene wezenlijke verandering in de
cassatie-procedure te weeg. I
­ ,,. Volgens art. 256 der Gonstitutie van het jaar III, moest
reeds na de tweede voorziening in cassatie de zaak bij het
wetgevende ligchaam gebragt worden ­- eene doelt1‘efl'ende
bekorting.
l
J
I
l
NVJ; 1 V7 nu `_•_