HomeOpenbare denkbeelden omtrent de wettige waarde van mijne zaak en middelen ten opzigte mijner schuldvordering ten laste van het DPagina 6

JPEG (Deze pagina), 694.32 KB

TIFF (Deze pagina), 6.76 MB

PDF (Volledig document), 9.25 MB

j l
I
C O · D
1°. dat het Dept. van Justitie, door deszelfs ainbtenaren, met
mij heeft gecorrespondeerd sedert anno 1843 tot en met Maart
1849; zulks bepaald, en niet anders heeft gedaan dan ter zake
van het verklaarde VERZEKERDE en gedeeltelijk betaalde jaargeld;
II°. dat de Minister van Justitie ten gevolge van dien,
l gedurende de eerste zes maanden, toen ik tot herstel van gezond-
heid te Frankfort a/M. heb gewoond, zoodanig aan de Neder-
landsehe Legatie aldaar de last van betaling heeft gegeven, dat
ik, van die Legatie, voor rekening van het Dept. van Justitie,
l sedert primo Januarij, tot en met ult. Maart 1844, in diverse Q
I termijnen heb ontvangen een bedrag van f 1100.-- 1
III°. dat daarna, tot en met Maart 1849, door den Secretaris-
Generaal van Justitie, elke drie maanden eene vaste som, j
dikwerf bij betalingen van vele honderden gulden zijn gedaan,
tot aanvulling van het te weinig betaalde en ook wel eens voor-
schotten zijn verstrekt en geweigerd geworden; zóódanig dat ik j
blijkbaar, niet van een particulier, maar van het Dept. van
Justitie jaarlijks minstens f 1000 heb ontvangen;
IV°. dat dan ook, sedert de verplaatsing van den Minister
van Justitie van Hall naar het Dept. van Finantien, AMBTS- Y
HALVE is aangeschreven dat de zaak en de interpraetatie van Z
dien, niet bij het Dept. van Finantien maar bij dat van Justitie I
behooren.
De brieven toeh van den voornoeinden 1{eferendaris, ged. 27 Dee.
1843 en 27 April 1844, (productie sub Lit. AN°. 1/2), bevestigen
al dadelijk de waarheid van twee kardinale feiten - namelijk; I
a. dat de Minister van Justitie, een Neêrlandseh Gezant dik-
werf heeft uitgenoodigd aan mij sommen gelds uit te betalen,
voor rekening van het Dept. van Justitie; - en,
Z2. eene niinisteriele kennisgeving, waarbij wordt verklaard:
dat de HELFT DER. AAN MIJ VERZEKERDE JAARLIJKSCHE
TOELAGE reeds naar Frankfort a/M was opgezonden.
Indien ik nu bij deze duidelijke, pertinente en eoneludente jj
artikelen of feiten voeg, het trouwens nooit ontkende en, in geval
van ontkentenis met getuigenbewijs te staven feit: ,, ,, dat voor alle
,, ,, gedane betalingen zijn afgegeven en aangenomen quitantien,
,,,, luidende: IN VOLDOENING VAN HET VERSOHENEN KWAR.­ "
MTAAL VAN HET JAARGELD DOOR HET DEPT. VAN JU­ ,
jy y; 1/ ;; dan geloof Zl«].ll].l3»IlS 1.11
a