HomeOpenbare denkbeelden omtrent de wettige waarde van mijne zaak en middelen ten opzigte mijner schuldvordering ten laste van het DPagina 14

JPEG (Deze pagina), 698.51 KB

TIFF (Deze pagina), 6.69 MB

PDF (Volledig document), 9.25 MB

jj jj j
j 14 1
t
j gesehreven, waaruit verpligtingen resulteerden, die hij ten allen
j tijde zou hebben kunnen doen gelden. Zoowel om deze zaak te
l . beëindigen, te voorkomen dat die gewigtige papieren na over-
j lijden welligt in andere handen zonden kunnen geraken, als om
te verhinderen dat daarvan te eeuiger tijd een min voegzaam
l gebruik zou worden gemaakt, zijn op aanzoek van den heer
t . van Hall in zijne qualiteit als Minister van Justitie, in zijn
g kabinet al die stukken en sehrifturen overgegeven, onder beding, `
j dat aan adressant een zekere som al dadelijk zou worden uitge- `
keerd, en hem verder een jaargeld betaald, groot genoeg om Y
fatsoenlijk burgerlijk te kunnen leven. j
Aanvankelijk is aan dat beding gevolg gegeven. De Minister ·
l van Justitie nam de stukken over, liet de vastgestelde som uit-
betalen en van af 1843 tot 1849 ontving adressant onder de
verschillende, gedurende dat tijdvak opgevolgde ministers, van
het Ministerie van Justitie zelf, uit handen van den Secretaris-
l Generaal, of, toen hij buiten’slands was, van den Nederlandsehen
[ Gezant op last, namens en voor rekening van het Ministerie van
j Justitie, het bedongen jaargeld, hetwelk ruim f 1000 ’sjaars
j I beliep. Ware de betaling op die wijze voortgegaan, adressant zou
j zich groote opolferingen hebben getroost, maar hij zou geene
j 4 reden gevonden hebben zich te beklagen. Intussehen hield de
j uitbetaling in 1849 eensklaps op en werd de overeenkomst wille-
l keurig verbroken; voor adressant begon een tijdperk van bittere j
t . ervaring en groote beproeving - Van het Ministerie van Justitie j
{ waar men toen beweerde dat geen geld of titel voorhanden
j was, verwezen naar de commissie voor de nalatenschap van
l Z. M. Koning lvlllfàlll ll, werd hij daar niet ontvankelijk verklaard
j omdat hij zijne vordering niet kon bewyzen, ofschoon de Heer van
j Hall zelf in dat eollegie zitting had en eene eenvoudige
ik verklaring van dien oudaninister aan Uwe Majesteit voldoende
zon geweest zijn om adressant, uit welke middelen dan ook, in ,
de betaling van het bedongen jaargeld te handhaven. In dien lj
stand der zaak begreep adressant den Hoogen Raad te moeten j
verzoeken kosteloos in regten te mogen ageren tegen den Staat i
1 der Nederlanden; dit verzoek werd afgewezen. Daarop dag- l
vaardde hij den Heer van Hall in privé om te erkennen de
geposeerde daadzakeu om langs dien weg zekerheid te erlangen
tot wien zich te wenden tot betaling of om tot de wetensehap
l E
I
l
s.
li