HomeHet regtsgeding van den heer Johannes Jacobus Kicherer, ontslagen kapitein bij de schutterij van AmsterdamPagina 9

JPEG (Deze pagina), 687.00 KB

TIFF (Deze pagina), 6.43 MB

PDF (Volledig document), 18.99 MB

... 7 ..
De Raad verwierp ze allen, overwegende: u dat de gronden
I, door den gedaagde aangevoerd zijn ongefundeerd en niet ge-
I, grond op de wet."’
Na het getuigenverhoor, droeg de aangeklaagde zijne ver-
dediging voor, die in kort hierop neêrkwam:
1. Het te laste gelegde feit is niet in diensttijd geschied.
2. Ook niet ter gelegenheid van dienstzaken. Ter verster-
king dezer bewering werd aangevoerd, dat iets wat ier gelegen-
heid van dienstzaken geschiedt, voor en ten behoeve van de
dienst moet plaats hebben, maar dat het gevoerde gesprek vol-
strekt niets met de dienst gemeen had, daar eene woordenwis- _
seling, met wien ook, over dienstzaken, niet kan gezegd worden
te zijn gehouden ter gelegevzheicl van dienstzaken.
3. Hier is geen denkbeeld van verzet mogelijk, omdat hier
geen last was gegeven, maar slechts voorwaardelijk was gespro-
ken, in den toekomstigen tijd.
Nadat liet onderzoek gesloten was, concludeerde de Auditenr
Mr. C. H. Perk op 22 Mei 1850:
//.P7“Z·7)l(L7‘2·0I dat de Sehuttersraad den gedaagde zal verklaren
: H schuldig aan het feit boven omschreven en in de dagvaarding
‘ «, vermeld en op grond van art. 54 zal worden gestraft met
uwegzending uit de Schntterij en op grond van art. G5 alinea
l «« 2, het te wijzen vonnis onverwijld ter bekrachtiging aan
, I, Z. M. den Koning zal worden ingezonden, met suspensie van
j I, den gedaagde, gedurende de deliberatie van Z. M.; en -
[/SuZ2sz`cZic¢£2·: dat de gedaagde in allen gevalle zal worden _
ll verklaard schuldig aan pligtverzuim tegen de ondergeschikt-
ï nheid, strafbaar bij art. 58 derzelfde wet, en in dat cas, de
{ «/Schnttersraad uitspraak doende, den gedaagde zal veroordee-
Mlen in eene geldboete van vijftien guldens en in beide nit-
I, spraken, in de kosten van het regtsgeding exeentabel door
pmiddel van provoost arrest."
Op deze conclusie diende de aangeklaagde den Raad eene
H memorie in, houdende onder andere reeds voorgedragen mid-
delen van verdediging, volgende bedenkingen in:
De Auditcur had de te laste gelegde woorden ten onregte
geïnterpreteerd, als stelden zij daar: verzet tegen een bepaald
gegeven order. De Anditeur had daarbij het oog op de order