HomeHet regtsgeding van den heer Johannes Jacobus Kicherer, ontslagen kapitein bij de schutterij van AmsterdamPagina 6

JPEG (Deze pagina), 678.95 KB

TIFF (Deze pagina), 6.46 MB

PDF (Volledig document), 18.99 MB

j.
E
.. 4 ..
woordemvisseling van den Kapitein met den Kolonel dier Schut-
terij, den Heer J. Staats Boonen, mt de dienst. Men had
de woorden der dagvaarding nageschreven uit art. 54: der wet
op de Schutterijen van 11 April 1827 (Staatsblad 1827, n°. 17),
om de actie te bepalen. Die woordenwisseling had geloopen
over de vraag, of het al of niet voegzaam was, dat een oiiieier
der Sehntterij instructie met het geweer gaf, welke vraag de
Heer Kichercr ontkennend beantwoordde, terwijl de Heer
Staats Boonen van eene tegenovergestelde meening was.
Dit gesprek werd van lieverlede met meer warmte gevoerd, dan
betamelijk was, hetgeen den Heer Staats Boonen toornig
maakte, die nu zijn gezag willende toonen en zijn hoogen eer- '
biedwekkenden rang van Kolonel der Sehutterij interponerende, j
den Kapitein toevoegde: lVmmee7· ik het ze gelaszfte, dan zoudt
gy het moeten doen, waarop de Kapitein antwoordde: Neen, l
Kolonel, dan zou ik het toch niet doen. Deze woorden zijn de
grond der aanklagt, door den Kolonel bij den Auditeur gebragt.
Ik zal hier niet spreken over de beiderzijds later gebezigde j
uitdrukkingen noeh over het gebarenspel van den Kolonel, die
zóó ver gingen, dat de borst en het kruis van den Kapitein j
werden aangeraakt, en er sprake kwam van een tweegeveeht; want
die verdere twist had niet den minsten invloed op de procedure, j
alhoewel de Kapitein zelf bij den Heer Anditcur eene klagte F
aanbragt, die tot heden niet is behandeld geworden, daar het
te laste gelegde feit slechts bestond in het gegeven antwoord Y
van den Kapitein. i
Ten dienenden dage stelde de aangeklaagde onderscheiden
wrakingen voor, eene van volgenden inhoud:
De Kapitein J. J. Kieherer zegt als aangeklaagde, dat:
aangezien de Majoor N. N. in deze zaak als regter heeft zit-
ting genomen;
Aangezien genoemde Majoor ter zake van het feit waarover
genoemde Kapitein thans te regt staat, zich voor diens teregt­
stelling op ondubbelzinnige wijze heeft getoond als bevooroor-
deeld en partijdig, door oiiieieren, inferieur niet alleen aan hem
Majoor, maar ook aan den beklaagde te hebben aangeraden
en met hen medegexverkt, om bij wijze van ondergeteekende