HomeHet regtsgeding van den heer Johannes Jacobus Kicherer, ontslagen kapitein bij de schutterij van AmsterdamPagina 16

JPEG (Deze pagina), 661.25 KB

TIFF (Deze pagina), 6.42 MB

PDF (Volledig document), 18.99 MB

ä
‘ -­ 14 -- i
A. «/ Dat de Raad mijne conclusiën tot wraking heeft ver- Q
M worpen.
B. H Dat de eerste overweging van het vonnis rz, quo in
H meer dan één opzigt onjuist is:
1. H Het gebeurde is niet ter gelegenlzeicl van de dienst ge-
eschied, want de dienst was reeds afgeloopen.
2. vliomt in die overweging voor, dat cle Kolonel den be-
~ klaagde had onclerhouclen over het in cle Algemeene Order van
,/17 April 1850, N". 42, bepaalde.
H Ik moet gelooven, dat in het vonnis rt quo eene sehrijlïout
U is ingeslopen, want de bedoelde Order is van 18 April 1850,
~N°. 33, ten bewijze waarvan ik mij veroorloof die Order zeli E
~ (en dus niet een copy) als bijlage hier te annexeren. `
N Ten andere moet ik ontkennen (en ik hoop dat dit Uildel-
««ichtbarcn uit de depositiën der getuigen zal blijken) dat de
wlxloloncl mij over die Order heeft onderhouden, daar dat on-
yderhoud slechts eene woordenwisseling was over de verplig- l
[I ting van een’ oilicier, om 1net het geweer te instrueren.
l U Ten derde, het kan UwEdel­Aclitbare opinerkzaamheid niet
ll ontgaan, dat door die Order de oliieieren niet gelast waren
I, geworden, om onderwijs te geven in het slaggeweer, al ware
H deze Order wettig cn verbindend, maar dat die oefening ter
ulceuze was gelaten van de `Bataillons kominandanten, daar ik
«« op dien avond van den 7d°¤ Mei, bij ontstentenis van den
” Majoor Krarnp, Bataillons kommandant was.
//Ten vierde, dat die Order op zich zelven reeds in strijd
M was niet art. 42 tweede lid der Wet van 1827, omdat de
~exercitie­tijd in die Order bepaald werd op des morgens ten
//7 ure.
C. //iDe tweede considerans is allezins juist, en het is nu
«« dit antwoord, waarin mijne strafbaarheid zou gelegen zijn;
iz maar zeer ten onregtc overweegt de Raad, in hare beide vol-
H gende consideranten, dat dit mijn antwoord: Neen Kolonel
nk zow het toch met cloen eene weigering was van een toen
«« gegeven last of reeds gegeven order, dewijl én uit den twee-
u den considerans én uit de aanklagte van den Kolonel, én uit
«« de depositiën der getuigen, ten duidelijkste blijkt, dat de Ko-
ulonel slechts van den toekoinenden tijd sprak. Ik wil Ullldel-