HomeHet regtsgeding van den heer Johannes Jacobus Kicherer, ontslagen kapitein bij de schutterij van AmsterdamPagina 11

JPEG (Deze pagina), 669.01 KB

TIFF (Deze pagina), 6.52 MB

PDF (Volledig document), 18.99 MB

A l
I
, á
ä - 9 - i
Met last dat de onder-officieren gekleed moeten zijn met Y
` foudraal chacot en laarzen, en de korporaals chacot zonder fou-
' draal en slobkousen.
E
l De aangeklaagde maakte daarenboven de bedenking, dat
sommige leden der Schutterij, ten onregte, Sc7mïtei·ZQ`ke disci-
i pline, zelfs buiten diensttijd, gelijkstellen met rllilimire disci- {
Q pline en zeggen eerst ge7i0oi·zcimen, claarnci klagen; daar inte- l
ä gendeel de Schutterlijke discipline zich niet verder kan uit- A
E strekken dan tot de dienst, omdat de inferieur buitensdienst
j burger is gelijk de superieur en dezen alzoo niet ondergeschikt;
· ‘ terwijl in allen gevalle hier van gehoorzamen of opvolgen van
een last geene sprake was, omdat er geen last was gegeven.
De Schuttersraad wees hierop den 4d€¤ Junij het volgende
vonnis:
Overwegende, dat uit de instructie der zaak is gebleken, dat
op den 7 Mei 1850, ter gelegenheid van de exercitie, de Kolo-
nel-Kommandant den beklaagde had onderhouden over het in de
i algemeene order van 17 April 1850, N°. 42, bepaalde, waarbij
g de oiiioieren werden gelast onderwijs te geven in de behandeling
Q van het slaggeweer,
Dat de beklaagde daarop had geantwoord, dat hij zulks niet
, zoude doen en deze weigering heeft herhaald, toen hem door
E den Kolenel-Kommandant nogmaals was gezegd, als ik het
, beveel, dan moet gij het doen,
, Overwegende, dat de gedaagde de bovenstaande weigering
' erkent, doch hieraan eene voorwaardelijke bepaling tracht te
geven, alsof hier sprake was van een nog te geven bevel,
Overwegende, dat hier geen te verwachten order denkbaar
was, maar wel deugdelijk de reeds vroeger en wel op den 17
April bevorens afgegeven order werd bedoeld,
Overwegende al verder, dat des gedaagden beweren, alsof het
gebeurde buitens dienst en geheel vreemd aan dienstzaken zoude
zijn voorgevallen, is ongegrond en erroneus,
Overwegende, dat bij art. 53 der Wet uitdrukkelijk wordt
gezegd, dat de leden der Sehutterijen van welken rang ook, in