HomeLeiden in 1574Pagina 12

JPEG (Deze pagina), 909.18 KB

TIFF (Deze pagina), 6.86 MB

PDF (Volledig document), 16.52 MB

g
8 · à
burgemeesters er drie niet meê werkten, om den geest der burgerij op te
wekken, en den vreesaohtigen moed in te spreken. Jan van der Does l
klaagt bovendien over de gezindheid, die overheersohend was in het midden [_
der viermaal tien bij wie het gezag berustte, en in wier midden nauwe- E
lijks ,,zeven rechtvaardigen werden bevonden.” Bronokhor`st’s dood was als
het sein tot een losbarsting. De ,,tongen werden uit den lommert ge-
l1aald," en de loop der zaken zou ongetwijfeld verkeerd zijn geweest, indien
niet de geest van den overledene ware overgegaan op de twee mannen, die
de prins als bevvindvoerders in zijn plaats had aangewezen. Het waren lj
Jan van der Does heer van Noordwijk, en Jacob van der Does, zijn ou-
dere bloedverwant. Reeds voordat zij ’t bewind hadden aanvaard, een dag W
voor Bronckhorst’s overlijden werden na aankomst van een brief van Valdez,
,,op instantie van sommege papisten de geheele veertig, mitsgaders de i
capiteynen en de waehtmeesters en de sommigen van den rijkdom." samen- X
geroepen. Hier nam allereerst Pieter Adriaansz Vermeer, meer be-
kend als van der Werf het woord, en stelde het doel der vergadering
. in ’t licht. _
g Hij verhaalde breedvoerig den soberen staat, waarin de stad verkeerde,
en stelde daar tegenover de schoone en uitlokkende beloften door Valdez
gedaan en verlangde dat een iegelijk deze twee zaken voor oogen houdende,
naar zijn consciëntie en beste weten raad zou geven ­- overeenkomstig den
eed door hen aan de stad en aan den koning gedaan. De oude van der
Does, die vreesde dat dit praeadvies door andere zou gevolgd worden,
die door vrees en heimelijke afkeer van den Prins waren ingegeven, nam
. aanstonds na van der Werf het woord, en herinnerde, dat Valdez een
» Spanjaard d. w. z. een gezworen vijand der Nederlanders was; dat de
i gunst en genade, welke hij zou bewijzen, wel niet hoog moesten aange- l
slagen worden. Hij meende voorts, dat de macht der Spanjaarden waarvan
zoo hoog werd opgegeven, niet bestand zou zijn tegen de maatregelen
j van den Prins, die zeker niet zou rusten voor dat het water Leiden had
bereikt; hij voor zich wilde het beloofde ontzet afwachten, en tot dien
tijd alles voor de stad wagen. Ten slotte herinnerde hij aan wat te
Mechelen, te Naarden, te Haarlem was geschied; en toch, zoo be- l
sloot hij, al wilde men tegenover ons zijn zachtrnoedige beloften nako-
men -­- wij zijn door onzen eed gebonden, om de stad tot het uiterste
te verdedigen.
j Niet minder krachtig sprak daarop Douza. Hij toonde aan, hoe de
l Spanjaarden telkens van genade sprekende tot hen, die zü onophoudelijk
ook de geringste genade onwaardig keurden, zich zelven niet alleen tegen-
spraken maar ook verrieden. ’t Was, meende hij zelfs niet geoorloofd over
H de mogelijkheid van overgave der stad te spreken. Hun eed bond hen om
pal te staan. Slechts twee aanwezigen vielen hem bij.
j j De meerderheid meende dat wijl de prins zijn gelofte om hen binnen drie
ju
l
l