HomeLeiden in 1574Pagina 10

JPEG (Deze pagina), 858.29 KB

TIFF (Deze pagina), 6.88 MB

PDF (Volledig document), 16.52 MB

{jj
l
ea
spotten met dezen aangckondigden vloed, en geloofden, naar zij meenden
Op goede gronden, dat het water nooit tot Leiden door zou dringen. En l
aanvankelijk schenen zij gelijk te hebben. Wel stond Delfland spoedig
genoeg onder, maar op de scheiding tusschen dat waterschap en Rijnland
scheen het water te zullen stuiten.
Hiervan maakten Valdez en de ,,glippers” aanstonds gebruik, om de
Leidenaars op te wekken tot overgave. Het eenige middel, dat hen redden
kon , bleek te falen. Spottend riepen de lafhartigen in de stad zelve: ,,Gaat
· nu op den toren, gij Geuskens, en kijkt naar Maaswater uit!" En waren
het slechts menschen van geringen invloed geweest, die alzoo spraken -
maar tot in het hoogste kollege der stad zaten mannen van ongoeden wille. P
Doch de overhand behielden zij, in wier hart het geloof bleef leven, en P
wier besluit vast stond ,,om den laatsten droppel bloed voor zoo goddelijke
en eerlijke zaak, als zij ter hand genomen hadden, op te zetten." Wie I
die mannen waren? Wij behoeven slechts te herinneren aan Bronckhorst,
Jan van der Does, van der Werf en van Hout. Zij waren ’t vooral, die ` l
j den geest der burgerij leidden, en op wier moed en beleid het opzet
der Spanjaarden is afgestuit. Hoe werden zij verblijd, als er goede tijding
kwam; als de Prins een dier brieven zond, waarin hij sprak naar hun ?§
hart, en hun hoop verlevendigde. Zoo was het op den 12 Augustus. jl
Eenige dagen te voren had Valdez aan ,,zijn eersame goede vrienden" te
Leiden een schrijven gericht, waarin hij berichtte, dat Z. M. de Koning E
van Spanje Leiden niet losliet; dat hij er niet van scheidde, voor dat hij r
de stad in onderdanigheid had gebracht. Zij moesten daarom zich over-
geven, liever dan hun verderfenis en ondergang zoeken. Maar de Leidenaars (
_ lieten zich niet misleiden of schrik aanjagen. ,,Navolgende het exempcl
van die van Bcthuliën ende de leere Johelis, begaven hun tot bidden ende g
r vasten met expres bevel van de overicheit, dat niemant tcghen Godes woort
E in sijn vasten eenighe verdiensten soude stellen." Hoe welkom was in i
zulke dagen een brief van den Prins. Op den gemelden dag van Augustus
werd zijn ontvangen schrijven openlijk voorgelezen op de markt; de stads-
pijpers trokken onder het spelen van vroolijke wijzen de straten door, en
alom hoorde men gejuich. Zij besloten naar den raad des Prinsen ,,om
in hun vromicheit altijt te volherden," en deden daarbij naar den raad, op
Douza’s snaphaan vermeld:
j Laet ons noch houden de wapenen in handen,
Opdat de nacrn van vrije landen,
l Niet en gcdic tot groote schandcn!
` Wij deelen hier een proeve meê van de wijze, waarop Bronchorst tot ·
zijn stad genooten placht te spreken en hen opbeurde in hun wankclmoedigheid.
` Op (len 225**1 Augustus dan liet hij een aansprak aflezen, aan de burgerij,
l waarin hij allereerst meedeelt zeker te weten, dat de vijand zijn ,,onver-
.
I
l