HomeDe S.D.A.P., wat zij is en wat zij wilPagina 27

JPEG (Deze pagina), 1.04 MB

TIFF (Deze pagina), 7.09 MB

PDF (Volledig document), 70.71 MB

25 j
bedrijven voor d·e produktie in ’t algemeen, juist op aankomt,
n.l.: welk aandeel van het totaal geproduceerde in een tak van i
bedrijf door het groot- en welk door het kleinbedrijf wordt j
_ geleverd. Toch kan men zich van de juistheid onzer stelling l
reeds voldoende overtuigen door kennisneming van de volgende t
gegev·ens:
ln Duitschland daalde in de industrie h·et aantal
kleinbedrijven {met 1-5 (arbeiders) van 2.175.857 in 1882
op 1.870.261 in IQO7 en clt, terwijl in diezelfde 25 janen de
bevolking met m·eer dan 16 millioen was toegenomen. Het
aantal grootbedrijven {boven 50 arbeiders) steeg in dien
‘ tijd van 9.481 op 29.033. Terwijl het aantal arbeiders, in de
¥` kleinbedrijven werkzaam, iets daalde, steeg dat in de groot-
bedrijven van 1.554.131 tot 4.937.927. In handel en ver-
keer ziet men in netzelfde tijdperk de kleinbedrijven toenemen
1 van 676.238 tot 1.204.737 en de grootbedrijven van 463 tot
2.828; een vermeerd·ering der kleinbedrijven met 78 en der
.­ grootbedrijven met 511 procent. Handel en industrie
-1 samengeteld namen de kleinbedrijven met 8.3, de grootbedrijven
·_ met 220.9 procent toe in een tijd, dat de bevolking met 36.5 ·
procent vermeerderde. Terwijl het volledig aantal bedrijven was
toegenomen van 3.005.457 op 3.423.615 of I4 procent, ver-
meerderde het aantal daarin werkende arbeiders van 7.340.789
‘ op 14.348.016 of bijna 100 procent. Wat wij hierboven zeiden
i omtrent de beteekenis van een groot d·eel der kleinbedrijven,
die slechts onderdeelen van grootbedrijven of daarvan filialen
en déoots ziin. geldt vooral voor de kleinbedrijven in den handel.
Daartoe worden verder allen gerekend, die - veelal na ge-
; stooten te zijn uit een eigen handwerk of nijverheidsbedrijf door ,
‘ de toenemende konkurrentie - met een kar gaan venten, een
winkeltje opzett·en of op andere wijze e·en dwergbestaan leiden.
. ]uist dit verschijnsel is eigen aan onzen tijd, maar kan allerminst
tegen onze opvatting omtrent de verdringing van het groot-
‘ door het kleinbedrijf worden aangevoerd.
Duitschland is een land met krachtige kapitalistische ontwik-
_ keling en daarom uitermate geschikt ter beoordeeling van dien
ontwikkelingsgang van het kapitalisme. Wij kunnen om die reden
I, ; nalaten, dergelijke cijfers te geven van andere landen; deze
J ë bewijzen, dat het daar gaat in dezelfde richting. Maar omtrent _
ons eigen land mogen enkele gegevens niet ontbreken. Wel
bestaat er hier nog steeds geen telling der bedrijven, zoodat
j opgaven als voor Duitschland ontbreken; maar er is toch sedert
H 1889 een bïeroepstelling om de tien jaren en deze stelt
i lj ons in staat, na te gaan, in welke verhouding zich de groep ­·
f der ,,zelfstandigen" (hoofden van bedrijven), waarbij óók direk-
1 teuren, zetbazen, enz. ·en die der ,,onz·elfstandigen" (lo0narbeiders)«