HomeDe regeling der gouvernements suiker-cultuur, beschouwd in verband met het daarover uitgebragte verslag door de drie overgeblevePagina 59

JPEG (Deze pagina), 695.99 KB

TIFF (Deze pagina), 7.00 MB

PDF (Volledig document), 91.76 MB

55
[ Souverein, en geenszins op de afhangelingen van dezen; niettemin is
. bij de uitbreiding der cultures ook de stand der laatsten veelal in de
; dienstpligtigheid opgenomen, ja zelfs op enkele plaatsen, meenen wij
. ook, de klassen, die niet tot den landbouw behooren.
Wel is Waar worden zeer vaak die diensten door de gogols afge-
, kocht, maar het gevolg van dat alles is, dat een gering aantal voor
ç den vrijwilligen arbeid beschikbaar blijft.
. Langzamerhand is van het aloude beginsel, - de grond draagt de
L lasten, - afgeweken, en is de stelling voorgestaan, dat op den persoon
i en niet op den grond de dienstpligtigheid rust.
i Ontegenzeggelijk heeft die afwijking vele ongelegenheid, verwarring
en onregt veroorzaakt, en in sommige streken inbreuk gemaakt op
, het grondbezit der dessa’s, doordien zelfs de dienstpligtige, die het
. burgerregt_ in het dorp nog niet verkregen heeft, aanspraak maakt op l
L een aandeel in het grondbezit, vermits hem de lasten daarvan zijn j
L opgelegd; waaruit groote versnippering van den bodem ontstaan is.
I Nog veel is er over dat onderwerp te zeggen; wij onthouden ons j
echter in eenige staatkundige beschouwingen te treden, en trachten
alleen uit een industrieel oogpunt de omstandigheden zamen te vatten,
, die den vrijen arbeid beperken en door dit weinige toe te lichten, j
. welken belemmerenden invloed die afwijking mede heeft uitgeoefend i
op den vrijwilligen arbeid, eene belemmering, nog aanmerkelijk ver- .
· groot, waar, zooals wij bereids hierboven hebben aangetoond, niet l
zoo zeer de bevolkingssterkte, als de uitgestrektheid der velden, tot
grondslag heeft gestrekt bij de uitbreiding der suikercultuur in te
i beperkten kring.
De heerendiensten, door het Europeesch bestuur geregeld, zijn
in de laatste jaren, wij verheugen ons dit te erkennen , zeer verminderd
en ligt te dragen; maar wij vreezen, dat het misbruik dat inlandsche
hoofden van deze heerendiensten maken, grooter is dan het naauw­
lettendst toezigt der weinig talrijke Europesche ambtenaren immer
zal kunnen voorkomen.
. Wij achten de bezwaren die juist daardoor ook den vrijen arbeid
treffen, zeer groot, want liet is schier ongelooflijk, welken verbazenden
invloed de inlandsehe hoofden op de geringe klassen uitoefenen.
De voorbeelden, die wij daarvan zouden kunnen opnoemen, zijn
te talrijk voor ons bestek, en de annalen van het regt in Indie
brengen nu en dan tafereelen aan het licht, die zooals onlangs teregt
Q is opgemerkt, een diepen blik doen werpen in het karakter van den
inlander en eene niet onbelangrijke bijdrage leveren tot de kennis
i
./[