HomeDe regeling der gouvernements suiker-cultuur, beschouwd in verband met het daarover uitgebragte verslag door de drie overgeblevePagina 31

JPEG (Deze pagina), 707.71 KB

TIFF (Deze pagina), 7.06 MB

PDF (Volledig document), 91.76 MB

27
oorzaak van mindere productie. Nu zal bij eene fabriek van 600
i bouws, gedurende dezelfde vier maanden, het riet gesneden
moeten worden, als bij eene fabriek van 400 bouws.
Wordt niet afwijking van het maximum slechts toegestaan
onder de bepaling, dat die afwijking geschieden moet in verband
met de krachten der bevolking en de beschikbare gronden, en
dan nog wanneer, zonder bezwaar, de aanplant met zooveel
ii bouws zou kunnen worden vermeerderd, als te gering zijn te
achten voor de oprigting van eene afzonderlijke fabriek?
Onder deze omstandigheden komt ook grootendeels niet in
aanmerking het bezwaar der transportmiddelen. Er is, volgens
onze meening, volstrekt geene tegenstrijdigheid in, om de be-
zwaren , aan eene groote concentratie verbonden, op te sommen,
, en om die toe te staan dáár, waar zich die bezwaren niet voor-
doen; integendeel, de volmondige erkenning van het bestaan der
. bezwaren geeft een waarborg dat ze over het hoofd kunnen
noch zullen worden gezien, en dat juist daardoor het ver-
vallen in een uiterste zal worden vermeden.
Al neemt men de onderstelling aan, dat niet alle bezwaren
weggenomen zijn, dan doet zich nog de vraag voorzwaardoor
j worden de verschillende belangen het best gebaat? Door
de toepassing der inkrimping zonder noodzaak, of door zich
eenige geringe bezwaren te getroosten, die grootendeels oplosbaar
j zijn? Immers de betaling heeft het Bestuur in handen, niet de
fabrikant, zoodat reeds daardoor alléén het hoofdbezwaar ­­-
l de afstanden - onschadelijk kan gemaakt worden. En zoo zijn
if er nog andere middelen , die in staat kunnen stellen zonder bezwaar
de inkrimping oordeelkundig toe te passen en de uitzonde-
i ringen te laten bestaan. vinden dan ook het antwoord op
i de door ons gestelde vraag èn in het boven aangehaalde betoog ‘
der contractanten, èn in de redevoering van den Heer van
Hoëvell.
Zien wij alzoo geen strijd tusschen de bepalingen van § 8
met de memorie van toelichting, wij vinden dien daarentegen
maar al te zeer tusschen het gesprokene door den Heer van