HomeDe regeling der gouvernements suiker-cultuur, beschouwd in verband met het daarover uitgebragte verslag door de drie overgeblevePagina 30

JPEG (Deze pagina), 777.34 KB

TIFF (Deze pagina), 7.06 MB

PDF (Volledig document), 91.76 MB

f I MIN, _ II ii
26
mindering kunnen vergoeden; maar wij zouden geene kracht aan dat
argument kunnen toekennen, omdat op de vraag, of er ruimte en ‘
genoegzame bevolking voor eene andere fabriek van 400 bouws, of
i in elk geval voor den grooteren aanplant op dezelfde plaats waar de
vermindering is geschied, al dan niet aanwezig zijn, slechts één niet
te wederleggen antwoord kan worden gegeven; is het bevestigend.
dan vervalt elke reden van vermindering ten koste van den tegen-
woordigen contractant; is het ontkennend, het bevat dan tevens de
bevestiging onzer bewering, zelfs ook dan, wanneer de vermindering ‘°
van aanplant in deze streek worde vervangen door eene vermeerde-
ring in gene, welke ook, met behoud dier zelfde uitgestrektheid, even-
zeer raadzaam en nuttig kan zijn.
««Wij durven ons alzoo vleijen, dat bij eene nieuwe regeling der
conrracten, de regering tot geene vermindering der bestaande aan-
plantingen - mogen zij al grooter dan 400 bouws zijn ­­­ overgaan
zal, tenzij omstandigheden van bijzonderen aard zulks gebiedend ,
vorderen; te meer daar ons uit de beraadslagingen der Tweede
Kamer is gebleken, dat aan het denkbeeld van inkrimping van den
aanplant grooter uitbreiding is gegeven, dan in de bedoeling van E
het Opperbestuur heeft gelegenm
Ook uit deze aanhaling -- waarvan het gewigt, naar wij
ons vleijen, tot verschooning van de uitgebreidheid strekken
mag - blijkt, dat men uit de beraadslagingen in de Tweede
Kamer heeft gezien een verzet tegen het denkbeeld, om aan
inkrimping te groote uitbreiding te geven. En nu gelooven wij
dat de Regering, zonder de wenschen der fabrikanten voor l
op gezet te hebben, of zonder in tegenspraak te zijn gekomen
met de beschouwingen in de memorie van toelichting ontwik- a.
keld, in de bepalingen, vervat in § 8 der Algemeene grond-
slagen, een gulden middenweg heeft bewandeld. i
Is niet het bezwaar, dat groote ondernemingen minder pro- i
duceren naar evenredigheid der fabrieken van 400 bouws en
daar beneden, grootendeels weggenomen door de bepaling,
dat, voor welke fabriek ook , de maaltijd in vier maanden moet
afgeloopen zijn, en dat de capaciteit der fabriek daarnaar in-
gerigt moet wezen? Immers door deze beide bepalingen vervalt de