HomeDe regeling der gouvernements suiker-cultuur, beschouwd in verband met het daarover uitgebragte verslag door de drie overgeblevePagina 18

JPEG (Deze pagina), 763.65 KB

TIFF (Deze pagina), 6.98 MB

PDF (Volledig document), 91.76 MB

o te a
«
14
. weet voor te stellen: kee echter eene zaak te regelen bij de
wet, waarvan men nog niet eens weet, of zij wel uitvoerbaar,
mogelijk en in overeenstemming met het publiek belang zal
zijn, blijft nog altijd een schier onoplosbaar raadsel. Of men
zal eene wet moeten vaststellen, die op zoo losse schroeven
staat dat zij van eene wet alleen {Zen mmm draagt; of er zal
eene wet komen, die, door het knellende harer banden en door
hare strenge toepassing van soms in de practijk onhoudbaar
bevonden theoriën, de suiker-industrie zal dooden. Hoe veel i
prijs men dan ook stelle op wetten: men moet terugdeinzen ‘
voor hare invoering, waar juist door de werking harer onwrik­ 2
baarheid zoo groote belangen op het spel zouden staan.
In ieder geval kon men eene spoedige regeling - waarvan
de noodzakelijkheid door ieder erkend wordt - verkrijgen op j
de wijze, als die thans heeft plaats gegrepen; niet op de wijze,
als voorgesteld wordt door de overgebleven leden van de Com-
missie. Immers regeliezy ele werf had, bij het uiteenloopende
der meeningen, jaren lang op eene eindbeslissing doen wachten;
wij vreezen van deze stelling, in het gemoed van de meerderheid
der Tweede Kamer, geene tegenspraak.
Voor het algemeen belang is de wijze, waarop de regeling ,
plaats had, een ondergeschikt punt, - minstens genomen een
punt van later belang; -­­ maar de regeling zelve is de hoofd-
zaak. En in dat publiek belang is de regeling op de spoedigste
wijze geschied.
De beschouwingen van de minderheid der Commissie (tier
de heeren van Twist en van Hoëvell) vervat in § 8 komen ons
voor liet gevolg te wezen van een te onvoorwaardelijk geloof
aan de groote ontwikkeling van den zoogenaamden vrijen arbeid,
dat weder zijn grond ontleent aan feiten en voorstellingen, als
waarvan, met betrekking tot de Residentie Cheriben, de rede was.
Wij behooren niet tot hen, die zich, om later te ontvouwen
redenen, zoo groot doorgaand voordeel van eene publieke uit-
besteding voorstellen; maar wij zijn overtuigd dat, wil men
eenig resultaat daarvan verwachten, het noodig was den aanplant
`
I
l
J,