HomeDe regeling der gouvernements suiker-cultuur, beschouwd in verband met het daarover uitgebragte verslag door de drie overgeblevePagina 117

JPEG (Deze pagina), 734.15 KB

TIFF (Deze pagina), 7.10 MB

PDF (Volledig document), 91.76 MB

U3
lers g cieerd en gegrond was op feiten, die meer en meer blijken
ssie geheel anders te zijn, dan die in het Verslag en bij andere
een gelegenheden zijn voorgesteld.
Op dien verkeerden grondslag heeft men bij de beschou-
rom wingen omtrent den vrijen arbeid, de uitbesteding en omtrent nog
ien, andere punten voortgebouwd. Allerlei onjuiste gevolgtrekkingen
.rop l makende, heeft men daaruit gronden geput, om de regeling
oor- te bestrijden. Onze voorafgaande betoogen kunnen dit staven.
llen Het verslag levert vele tegenstrijdigheden op; en ofschoon die
ijk, reeds zijn aangetoond, zullen wij de bewijzen daarvoor nog eens
t de herhalen.
en, De eerste tegenstrijdigheid vinden wij bij de Algemeene be-
ials sohouwingen van § 6, en bij de behandeling der paragrafen l, 2 en 3.
met De meerderheid der Commissie, die in het eerste gedeelte
den van meening is, dat het duidelijk blijkt, hoe de Regering,
zooveel mogelijk, de aanplant dessa’s gewijze wil doen plaats
van hebben; dat zij dus wel degelijk wil, dat slechts één vijfde der
afg- gronden van iedere dessa gebruikt wordt, maar dat zij meent
of dat het onmogelijk is, op deze regeling geene uitzonderingen
»or­ toe te laten , zegt bij het tweede gedeelte, dat de uitzonderingen
de, E .regel zullen worden; dat niet één vijfde, maar de helft, ja al
eu- j de sawah’ s zullen gebruikt worden , waarop dan een allertreurigst
vist tafereel volgt van al de onheilen die hieruit geboren zullen worden!
ide In § 8 betreurt de meerderheid der Commissie het verlaten
ran van het heilzame beginsel, om 400 bouws als maximum voor
iedere fabriek aan te nemen; tot die meerderheid behoort de
en Heer van Hoëvell. Wij verwijzen naar de door ons aangehaalde
mj bestrijding van de onvoorwaardelijke toepassing van dat zelfde
te beginsel, door genoemden Heer op den 26St¤¤ November jl. in de
ar- zitting der Staten­Generaal. Door den Minister van Kolonien
de is dit incident bij de debatten aangehaald; maar de heer van
en Hoëvell heeft het niet wederlegd.
iet Schenkt eene dergelijke handeling het vertrouwen, dat de
jst uitgebragte opinie het gevolg van overtuiging is, of moet de
di- gevolgtrekking worden gemaakt, dat de partijzucht deze opinie
8
ïï
,3
L