HomeDe regeling der gouvernements suiker-cultuur, beschouwd in verband met het daarover uitgebragte verslag door de drie overgeblevePagina 107

JPEG (Deze pagina), 692.28 KB

TIFF (Deze pagina), 7.09 MB

PDF (Volledig document), 91.76 MB

»
I
l
103
onderneming in andere handen kan zien overgaan, zich ont-
houden zal, daaraan verbeteringen toe te brengen, die op
tijd werken. Deze omstandigheid moet van invloed wezen op
de resultaten der uitbesteding, die afhankelijk zijn van de re-
sultaten der industrie. 7Wij gelooven dat de Staat zich in de
voordeeligste conditie zou stellen, indien zij voor elke nieuwe
onderneming, alle voorwaarden, rakende emplacement en contract»
regelde, en alsdan het contract met het regt van exploitatie
tegen contant geld, of daarmede gelijkstaanden termijn van
betaling gunde aan den meest biedende, die de vereischten
bezit, om als contractant te worden toegelaten.
Dan moest verder den contractanten het vooruitzigt worden
gegeven, dat de Staat met hen voortdurend zal blijven con-
tracteren, echter op voorwaarden, die om de 10 jaren herzien
l en door den Staat gesteld zouden worden.
. Bij niet­aanneming der alzoo herziene voorwaarden zou de
fabriek tegen taxatie door het Gouvernement worden overge-
nomen, dat dán het nieuwe contract opveilt, met de voor-
waarde, om de fabriek tegen de getaxeerde waarde over te
nemen.
Ingeval de overname niet geschiedt, zou de ondernemer,
E evenals bij de tegenwoordige bepalingen, tot de opruiming
22e¢·00r¢leel¢l kunnen worden. "
De Regering betoogt in de Memorie van toelichting tot de
Algemeene grondslagen het onbillijke van een plotselingen
overgang, in strijd met de gedane belofte van preferentie, en
bovendien de moeijelijkheden, die zich bij sommige onderne-
mingen zouden voordoen, om die bij expiratie over te nemen.
De meerderheid der Commissie meent, dat die preferentie
niet aan alle contractanten is gegeven. hebben het bewijs
van het tegendeel beloofd en zullen dit geven.
Het Gouvernement is ten opzigte van geene enkele onder-
neming vrij. Wij hebben daarvoor andere argumenten, dan die
de meerderheid meent dat wel eens ten onregte verdedigd zijn.
Bij besluit dd. 11 December 1854 heeft de Minister van