HomeZomergroenPagina 10

JPEG (Deze pagina), 532.79 KB

TIFF (Deze pagina), 6.17 MB

PDF (Volledig document), 41.88 MB

l
l
2 i
Den blos mg van `t gelaat gejaagd;
’k Zou niet, in weêrwil van mun strüden,
Met telkens overwonnen’ deugd, _
En minder` moed den vüand tarten ,
Die door duldelooze smarten ,
Een grüsaard maakt reeds in de jeugd .....
Een grüsaard? Ja! 0 was dat waar!
Waar` met het glinstrend zwart van ’t haar, i
Een ander merk der jeugd vervlogen!
Weêrsprak het zengend vuur der oogen
De plooüen niet op °t bleek gelaat!
Mogt nu de tüd, die veel kan rooven, j
Ook reeds de onzuivre vlam verdooven,
Die, tot een spot van ’t wit gewaad, j
Mün borst doet gloeüen als een oven!
En toch, zoo veel mgn kracht vermag,
Tracht ik, met vasten wil, naar `t goede;
God kent mün sträd, dien strüd ten bloede,
Waarin ik voortleef nacht en dag. i
Of heb ik niet de onreine tochten «
) Met vasten en gebeên bevochten?
En wordt, terwijl ik neêrgeknield
VVeêr nieuwe krachten wil verzaamlen,
De bede die °k dan uit zal staamlen
Niet door den geest van haar bezield? ....,
Van hacw, helaas wat onvermogen!
j Dat beeld alleen vervult mijn l1art!
ë
i 9
J
ä
te