HomeBrieven van een' jurist aan een' bureaucraat over regterlijke organisatiePagina 25

JPEG (Deze pagina), 780.59 KB

TIFF (Deze pagina), 7.13 MB

PDF (Volledig document), 46.39 MB

l

‘ 16
J staatkundige beschuldigden den waarborg van onafhankelüke tot
en onafzetbare Begters heeft willen geven. De IX-mannen llm
van 1844 hadden dit onbedaehl; voorbügezien, toen zij een a »g0‘
Speciaal Hof van Staat, voor iedere vervolging te kiezen, »[0l
voorsloegen. De grondwetgevers van 1848 hield het be- Stg
ginsel vast, met deze wüziging in Art. 159 en 160 (ver- Hïllss
l geleken met Art. ’l77 en 178 der grondwet van 1815) , zgn
dat de leden der Kamers, hooge ambtenaren enz. alleen we- l CON?
gens {ll72b[S)IH·S([I‘{7lJ07?» , en niet wegens mt`scZrQ`een van K wm
elken aard gedurende hunne funetiön begaan, voor den dem
Hoogen Raad teregt staan. Daardoor is ’t prz`uz`legz'um fori X gcdt
· niet aan den persoon, maar aan de zaak gehecht; de re- dat
den der benoeming met medewerking der Tweede Kamer Gm]
is blüven bestaan. Foo
Nog is de Hooge Raad, volgens Art. 160, speciaal- m “
regter in burgerlijke zaken, waarbij de natie geacht wordt _SCl l
belang te hebben, omdat de Staat, de Koning of een lid g bmïl
van ’t Koninklijk Huis (dit laatste is eigenlijk een oller bum
van het beginsel aan de hollelgklieid gebragt) daarin als M
gedaagde betrokken is , met uitzondering van actiën over " aim]
zakelijk regt, die altijd bij den plaatselijken Hegter blij- met
ven. Deze attributie (hoezeer hare nattigheid twijfelachtig _:
mag heetcn) baart niet de minste moejjelijkheid in de uit- i muh
voering; in de organieke wet heeft men ze slechts over jy {mm
te schrüven. De billijkheid springt in ’t oog, dat tegen m Z
zulke arresten van den Hoogen llaad althans nog het middel ` Oïrtr
I van revisie opensta; en evenzeer de weinige waarborg die msm
dit middel thans oplevert, nu Art. 368 lid 2 Burg. Regtsv. mm
1 beveelt, dat de llaadsheeren die in eersten aanleg hebben Raw
K gewezen, ook op de revisie zullen zitten. Te vergeefs l A
zocht ik de alschaïlïing van die onbillijke bepaling in het ·_‘*
A wets~ontwerp of in de aanmerkingen der llegterlijke amb- ll)
tenaren. ëgtïj
Y/Vij komen nu tot Art. 162, over de bestemming van · omda
den Hoogen Ptaad als opperste Geregtshof, in betrekking 8 Chïê
l
t
s
E