HomeOok een woord voor behoud der aanbevelingen bij vacaturen in de regterlijke magtPagina 32

JPEG (Deze pagina), 714.33 KB

TIFF (Deze pagina), 7.14 MB

PDF (Volledig document), 34.54 MB

`, i` l ir"' dyn fràiv D-- I l
l
` 3

`, 28
i zonder op de al of niet geschiktheid te letten ieder` ambte-
naar jonger dan 65 jaren, die eene herplaatsing verlangde,
op nieuw benoemd, en hij heeft zooveel mogelijk ieder
i daar geplaatst, waar hij het liefst zijn wilde, en niet daar
waar hij het meeste nut kon verrigten. Hij heeft ambte-
naren, die gewoon waren over processen te oordeelen , welke .
zich bijna uitsluitend in de landprovinciën voordoen, tot
‘ leden van collegiën benoemd, die in handelszaken moeten
l regtspreken, en hij heeft anderen, misschien in handelsregt
niet onervaren, naar de landprovinciën gezonden.
‘ De minister heeft bij zijne zamenstelling van de hoven
· i op nieuw getoond een hoffelijk man bij uitnemendheid te
zijn; maar hij heeft aan zijne zucht naar hoH`elijkheid de
Y belangen van het regtswezen opgeofferd. '
xl Men merkt op: eene organisatie in dien zin was niet
mogelijk, zoo ruime keuze had de minister niet.
Doch het antwoord op die opmerking ligt voor de hand.
J Een goed organisateur telt eerst de ambtenaren, over
welke hij heeft te beschikken, en bepaalt dan van hoevele
collegiën hij het behoud aan de Vertegenwoordiging zal
lf voorstellen. Had de minister slechts personeel voor drie
· goede hoven, dan had hij aan zgn wetsvoorstel ook eene
ruimere strekking moeten geven en de opheffing van meer
. hoven moeten voorstellen.
Q Maar bovendien, indien men kon berekenen dat de
In locale belangen de Vertegenwoordiging een beletsel zouden
zgn, om in eene zoo ruime ophefling van hoven toe te
i stemmen, dan waren er nog wel andere middelen om de
vüf hoven goed te bezetten.
Men had zich vooreerst kunnen onthouden van eene
intrekking, voor zooverre de hoven aangaat, van de wet i
van 1849 , over welke intrekking ieder deskundige zijn
afkeuring uitspreekt. _