HomeMaterialisme, evolutionisme, darwinismePagina 22

JPEG (Deze pagina), 912.64 KB

TIFF (Deze pagina), 7.83 MB

PDF (Volledig document), 21.74 MB

20 H
consequente ten deze), de befaamde David Friedrich Strauss ‘
heeft gezegd. ln par. 78 van zijn berucht boek ,,Het oude en het
nieuwe Geloof", schrijft hij: ,,Stamt de mensch, zij het ook als de
hoogst ontwikkelde, meest gezuiverde spruit, uit het dierenrijk af,
dan is hij uit zijn aard een irrationeel wezen; bij allen vooruitga·ng
van zedelijkheid en wetenschap zullen toch de natuur, de begeer- i
lijkheid en de toorn steeds een geduchte macht over hem behouden;
en wilt ge weten, mijne dames en heeren, wanneer gij het zoover
brengen zult, dat de menschheid haar oneenigheden alleen door
vreedzame overeenkomsten beslechten zal? Op denzelfden dag,
waarop gij het zoo zult weten in te richten, dat diezelfde mensch- j
heid zich voortaan alleen maar door verstandige taal voortplant". Y
En iets ver·der: ,,gelijk weleer het laatste woord der koningen, zal
ook nu het laatste woord der volken zijn aan het kanon".
De H. Schrift is alzoo niet weerlegd. Wel heeft ongeloofsweten-
schap zichzelf schrikkelijk geblameerd. De mensch moge thans een
diep van God afgevallen schepsel wezen; hij is van huis uit ,,van
Gods geslachte". Zijn val zelfs kon zoo diep niet zijn, als hij dit niet
van huis uit ware. En nog gloort er van zijne oorspronkelijke heer-
lijkheid iets na, zelfs in den bouw van zijn lichaam, in zijn recht-
opgaanden gang, in zijn fijne structuur; zelfs Haeckel heeft Flech-
sig’s woord aanvaard ,,dat in een deel der hersenen bij den mensch
nog buitengewoon ingewikkelde structuren voorkomen, die bij de
overige (l W.) zoogdieren ontbreken". Zijn oorspronkelijke heer-
lijkheid gloort na in de uitdrukking van ’s menschen aange-
zi c h t; in zijn taal, en redelijkheid, in zijn religie en zedelijkheid.
Dat er tusschen mensch en dier zekere verwantschap bestaat,
niemand behoeft het te ontkennen. Maar men lette dan ook op het
wezensverschil. De H. Schrift, ons verhalende de schepping
van dier en van mensch, meldt ons, dat beide zijn geschapen op
één en ·denzelfden, op den zesden dag; en beide zijn ook gevormd
uit het stof der aarde. Maar de dieren worden op Gods bevel door
de aarde voortgebracht (Gen. 1 :24); de mensch echter wordt
geschapen, na een beraadslaging Gods, naar Zijn beeld, tot een • _
‘ heer over alles. Aan zichzelf ontleende God als ’t ware het model,
den aard van des menschen wezen; op eindige wijze zal de mensch
moeten vertoonen, wat God op oneindige wijze is.
Uit den vuurhaard van Gods eigen levens- en geestesvolheid
heeft Hij een vonk in des menschen binnenste als doen overspatten.