HomeQuercus pubescens: een oerwoud in Z.-Frankrijk en haar algemeene verbreidingPagina 6

JPEG (Deze pagina), 742.96 KB

TIFF (Deze pagina), 5.10 MB

PDF (Volledig document), 7.20 MB

l ` 142
‘ gemengde boschtype. Volgens GAMs (4) komt dit voor in
Q de landen van de Middellandsche Zee, Oost-Azië en in
Atlantisch Noord-Amerika. Alle hiertoe behoorende bos-
‘_ schen zijn gekenmerkt door de aanwezigheid van de ge-
slachten Quercus, Tilia, Acer, Ulmus, Crataegus e.a. Van .
i deze geslachten ontbreekt in onze opgave T ilia. Gezien
, het korte verblijf ter plaatse, zou het toch nog best moge-
A lijk zijn, dat Tilia in den opstand voorkomt.
, GAMs onderscheidt ook nog de Quercus pubescentis
associatie, waarin Acer (met uitzondering van de klein-
bladerige struiken van campestre­hebecarpum), Tilia,
F raxinus, Ulmus en de meeste Rosaceeen (behalve Cra-
· ` taegus monogyna, Amelanchier sp., Prunus Mahaleb en P.
.4 spinasa, Rosa agrestis en Rubus ulmifolius) ontbreken. -
·· Verder zijn er hoofdzakelijk Cornus mas, Berberis sp. en
( ­ j uni perus cammunis nog aanwezig. Het door ons bezochte
- _. bosch behoort dus zeker niet tot deze associatie. Daar we
. · de verschillende Eikenbosch­typen en de omstandigheden,
E welke hun optreden bepalen, nog geenszins kennen, is
B ` het voorloopig beter niet te classificeeren, maar zoo nauw-
; c keurig mogelijk de verschillende gevallen te beschrijven.
« Verschillenden auteurs danken wij reeds min of meer
uitvoerige beschrijvingen van de bosschen, waarin Quercus
j pubescens Wittb. voorkomt (ADAMOVICE J), VAN Beckz),
j GINSBERGERB), RADDE8),TURRlLL10),WILLKOMM12),6.3.).
‘ Wel zeer interessant moet het Quercus­Tilia­Acer ge-
; j mengde boschtype uit de Karpaten zijn, zooals PAX7)
dat ons beschreven heeft. Behalve de wilde appel en
« j wilde peer, komen daarin o.a.ook Syringa vulgaris en
l i S. josikaea voor; de laatste is zelfs endemisch voor de
‘_ ' Oost­Karpaten.
Behalve in min of meer gemengde bosschen, komt
A , Qaercus pubescens ook vrij veelvuldig in struikvorm voor.
‘ Dit kan het gevolg zijn van bodemfactoren (het ontbre-
ken van fijne aarde), maar vaker zijn menschelijke en
dierlijke invloeden de oorzaak, (zie hiervoor GAMS 4) en
. Rüeei. 9)).
v g De in Midden-Europa voorkomende exemplaren groei-
1