HomeDe bronnen van Voskuyl's tooneelspelenPagina 6

JPEG (Deze pagina), 724.63 KB

TIFF (Deze pagina), 6.99 MB

PDF (Volledig document), 16.80 MB

4 J. A. Worp 78
Sonnet.
»De Maeght die ’t Eglentier in Liefde Bloeyend’ teelden
Ghethuyght noch van u deught doen sy het Treurspel sach
In ’t beeldt Cleopatra, doen Mai·e’ Anthoni lach
En braeckte vast de ziel, wiens lijden sy toonneelden,
En hoe dat Bradamant op ’t loffelijckst af­beelden
De liefde tot Rogier, op haer ghewensten dach.
Den Fransman die jaloers een yeder spieg’len mach,
Mee sijn bebloede rol op d’oude Gamer speelden.
Pancloslo die beticht d’onnoosle Coningin,
Sy baert d’Aegypsche Croon een Conincx Harderrin,
VVae1· mee Sieitiens Prins Dorastas liefde veste.
Don Carel nu tooneelt sijn onglieluckigh endt,
Prins Portigael die maeckt aen Leonoor bekent
Syn liefd’, naer vluchtingh raeckt met haer in Echt ten lesten."
De drie laatste versregels hebben betrekking op de Carel
van Oastilien, de drie voorafgaande op Bellaria en Pandostos
en Dorastus en Faunia, beide geschreven in 1624 en in 1637
gedrukt. Maar men zou uit de eerste versregels besluiten, dat
er op nog 3 andere drama’s van Voskuyl wordt gedoeld. Toch
geloof ik, dat wij er zinspelingen in moeten zien op G. van
Nieuwelandts Aegyptiea, ofte Aegyptisc/ze tragoedie, van M. An-
t/tonius en Cleopatra (1624), op een ons onbekend gebleven
treurspel en op Roelandt’s Biron (1629). Daarentegen leest
men in De(n) Geest Van Mattheus Gansneb Tengnagel, dat
Voskuyl een drama onvoltooid heeft gelaten, waarin Maarten
van Rossum de hoofdrol vervulde 1).
Voskuyl’s dra.ma’s zgn niet in bedrijven verdeeld en getui-
. gen niet van meesterschap over den vorm. Maar zij zijn v01
leven en afwisseling, zijn niet onaardig in elkander gezet en
verdienen om meer dan ééne reden de aandacht. Zonder twijfel
behoorde de dichter niet tot de groote mannen, maar op den
1) ”Maer zo Marten oom van Bossen
Was volmaekt, wat spel had hy
Van ’t toneel niet konnen bossen?
Wïäük GH WB6l`WI`3€k moest BCI! zy.”