HomeDe bronnen van Voskuyl's tooneelspelenPagina 19

JPEG (Deze pagina), 701.54 KB

TIFF (Deze pagina), 7.00 MB

PDF (Volledig document), 16.80 MB

Q] De bronnen van Voskuyl`s tooneelspelen 17
geland, of Porrus, die op de jacht is, ziet de vreemdelingen
en wordt getroffen door de schoonheid van Faunia 1). Dorastus ·
V discht hem een onwaar verhaal op van hunne lotgevallen, maar
Porrus gelooft hem niet en laat hem >>in hechtenis (nemen) tot
K men van u geslachte Crijght wisse seeckerheyt ”)". Pandosto f
( tracht door alle mogelijke middelen Faunia’s liefde te verwerven, gj
‘ maar Faunia slaat al zijne aanzoeken af en belooft Dorastus, ,
dien zij in de gevangenis opzoekt, dat zij hem trouw zal blij-
y, ven. De Koning dreigt haar zelfs met geweld. Daar komt een
gezant van Egistus, die Pandosto er aan herinnert, dat hij
vroeger den Koning van Sicilië valsch heeft beschuldigd, en hem
verzoekt den Prins uit de gevangenis te ontslaan. Menander (
wordt door den ambassadeur als prins begroet en Pandosto ‘
herkent in den gezant zijn vroegeren hoveling Franion. Faunia, .
Caponio en Porrus worden nu geboeid binnen gebracht en jl
Pandosto wil hen alle drie doen dooden 3). á,
»Maer seght o vuyle feex waerom hebt ghy betoont 4),
Naedien dat de natuur soo ned’rich u gheschaepen
,Van Boere afcomst heeft, u vreught te willen raepen ‘
Int Vorstelijck Palleys selfs met een Couincks Soon?
Docht ghy niet Herderin hoe qualijck u de Croon A
Son passen'? zyt ghy niet beschaernt selfs van u selven?
( Voeghde niet beter u het spitten, en het delven
W Als deze cost’lijckheen, en weytsche Jofferschap? ly,
Men klimt wel, maer dat gaet al soetjes trap voor trap.
Een Conincks soon alleen door uwe toverije
3
E
1) In de novelle laat Porrus, die, nadat zij reeds eenigen tijd in zün land zijn
geweest, van Faunia’s schoonheid gehoord heeft, hen als spionnen gevangen nemen
en naar het hof brengen. ,
2) Novelle (blz. 74): ,,till I heare more of her parentage and of thy calling, I G
wil stay you both here in Bohemia".
3) In de novelle is het Egistus, die hun dood eischt. ï
41) Novelle (blz. 81): ,,Thou disdainfull vassal, thou currish kite, assigned by the g
destinies to base fortune , and yet with an aspiring minde gazing after honour: how durst rg
thou presume, being a beggar, to match with a Prince? By thy alluring lookes to inchant
the sonne of a King to leave his owne countrie to fulfill thy disordinate lusts? O il

l