HomeDe openbare en de vrije schoolPagina 21

JPEG (Deze pagina), 652.80 KB

TIFF (Deze pagina), 5.21 MB

PDF (Volledig document), 21.36 MB

19
maken moest. Immers, zóó werd beweerd, was de godsdienst
enkel de vrucht van inbeelding, hoofdzakelük van onge-
gronde vrees voor de inwerking van een of meer boven-
natuurlijke wezens, aan wier invloed men de verschünselen
toeschreef toen men nog niet wetenschappelük genoeg was
ontwikkeld om de natuurlijke oorzaken daarvoor aan te
wüzen.
Er waren echter onder de voorstanders van de Openbare
school anderen, die beweerden, dat niet de inbeelding,
maar de verbeelding de moeder van het geloof in God
moest genoemd worden. Want, zóó spraken zh, het gods-
4 _ ­dienstig gevoel, aan ieder mensch eigen, ontvangt, zoodra
’ het krachtig is aangegrepen en zich dientengevolge uiten
wil, van de verbeelding het beeld, waarin het zich uiten
» kan. Doch dan is dat beeld ook niet iets wat in de lucht
i hangt en waaraan dus het werkelük bestaan ontzegd moet
worden, maar veeleer de omschrüving van eene gewaar-
wording, waaromtrent de mensch even veel zekerheid bezit
voor hemzelf, als omtrent hetgeen hü met züne oogen zien
·en met züne handen tasten kan. Of mag men, hoewel die
uitdrukkingen letterlük genomen onjuist zgn, niet zeggen:
de schepping treurt, en het aardrük lacht?Geven die gezeg-
den niet terug indrukken, in herfst en lente met onbetwist-
bare zekerheid ontvangen? Zóó is het ook hier. Noem den
godsdienst gerust poësie, mits gü maar toestemt, dat de taal
. _ dier poësie teruggeeft wat werkelük is waargenomen en ervaren.
” De stem dier sprekers was echter omstreeks het jaar 1878
nog niet krachtig genoeg om bü het meerendeel ingang te
vinden. Althans de wetgever van dat jaar was van de juist-
heid hunner opvatting niet overtuigd. Integendeel stond hü op
het standpunt van de godsdienstloozen, zooals de aanhangers
­ van de eerstgenoemde meening zich heetten. En daarom kon
hü in de opleiding tot christelüke deugden niets anders
zien dan opleiding tot algemeene, niet nationale of
partikularistische zedelükheid, losgemaakt van den gods-
dienst.