HomeDe openbare en de vrije schoolPagina 15

JPEG (Deze pagina), 661.30 KB

TIFF (Deze pagina), 5.32 MB

PDF (Volledig document), 21.36 MB

J
l
ï 13
i waarbij het eerste in het tweede overgaat, en zag niet in
à hoeveel leerstelligs nog in hetgeen destijds godsdienst heette
` verscholen lag.
Bü dat alles kwam nog een groote mate van ingenomen-
l heid met zichzelf. Vat de regeering deed, achtte zu voor
onverbeterlijk, zoodat afkeuring daarvan met vüandschap
5 jegens haar geluk werd gesteld. Om van het schoolwezen
k alleen te spreken: dezelfde wetgever van 1806, die meende
` in züne wet een werk gegeven te hebben dat uitblonk door
` humaniteit, was inhumaan genoeg om te verklaren, dat ieder
W strafbaar gesteld zou worden, die uit eigen beweging ,,zich
zoude mogen verstouten om eene Lagere school op te richten?
Natuurlijk, waar zóó de toestand was, daar liet zich strijd
voorspellen.
De eerste aanval geschiedde van de züde der R. katho-
lieken in het Zuiden, dat in 1815, krachtens de besluiten van
het Weener congres, met de Vereenigde Nederlanden was
saam gesmolten. Doch dat Zuiden bestond uit een gebied,
dat vroeger onder oostenrijkschen invloed had gestaan,
’ benevens uit het bisdom Luik. Daar had dientengevolge de
geestelükheid altüd rechtstreeks op de regeering van den Staat
L invloed kunnen uitoefenen, en het lag dus voor de hand,
z· dat men daar met de schoolwet, die in het Noorden gold
_en goedgekeurd werd, geen vrede had. Men ,,verstoutte"
t. zich te beweren, dat er tot bevrediging van nationale be-
hoeften vrijer beweging noodig was, ja dat men juist krachtens
A het nieuw aangenomen beginsel aanspraak daarop kon doen
gelden. Of bracht vrijheid tegenover den Staat, die aan alle
kerkgenootschappen was toegestaan, niet mede, dat aan die
genootschappen werd vergund zoo te handelen als de hoof-
_ den en leiders ervan - immers aan hen en niet aan de
g regeeringdag het om dit te beoordeelen? ­ voor het ziele-
leven der leden onmisbaar achtten?
i De strijd duurde lang en werd met elk jaar jaar feller,
tot de regeering eindelijk toegaf en het Koninklijk Besluit
van 27 Mei 1830 verscheen.