HomeDe gevolgen van de december-vorst voor de plantengroeiPagina 6

JPEG (Deze pagina), 1.10 MB

TIFF (Deze pagina), 10.29 MB

PDF (Volledig document), 10.91 MB

DE GEVOLGEN VAN DE DECEMBERVORS T ä ü Xl II
van planten uit een land met zeeklimaat. Het schijnt daarbij, dat de soorten, die hun
bladen ’s winters behouden, het meest door extreme kou getroffen worden; in verband
met dat straks gezegd werd, is dit ook wel te begrijpen, zij blijven veel meer dan de
bladverliezende soorten in ons zachte najaar doorgroeien en worden dus ook in niet
voldoend resistente toestand door de temperatuurdaling verrast.
Geheel anders is het daarentegen bij de soorten, die in het bekende boek van
WALTER ,,Allgemeine Pflanzengeographie Deutschlands" tot de Atlantische soorten
worden gerekend, maar echte inheemse planten zijn. Zowel de Gagel met afvallend
blad, als de Erica tetralix met overblijvend blad hebben voor zover als ik het nu kan
nagaan niet van de Decembervorst geleden. Wel Ulex europaeus, de Gaspeldoorn,
maar dat is ook volgens HEUKELS eigenlijk een door de mens in ons land inge-
voerde plant.
Ten duidelijkste blijkt uit dit alles, hoe goed de natuurlijke flora past bij het deel
van de wereld, waar zij voorkomt. Het is verleidelijk om hieraan allerlei beschouwin-
i gen vast tepknopen over zgn. aanpassing, over mutaties en over de strijd om het
bestaan, maar dat zou ons veel te ver voeren.
Zolang men echter doorgaat met het in ons land invoeren en aanplanten van soorten,
die in ons klimaat eigenlijk niet thuis behoren, kunnen dergelijke onaangename
verrassingen, als die we deze winter meegemaakt hebben, ons steeds te wachten staan.
E Amersfoort, Maart 193,9. TH. WEEvERs.
*33 ä Xl
WAARNEMINGEN EN PROE VEN AAN DE
RUGGEZWEMMER
(NO TONECTA GLAUCA) 1)
et was ons bij deze vischtocht nu eens niet te doen om roodkaakjes, salamanders,
of watertorren. Al die grootere heerlijkheden vermaakten we maar aan de
zwerm jocbies, die ons, gelijk meeuwen een kustvisscher, omgaven. Alleen
de waterwantsen hielden we. Hoewel ze onze voorkeur voor al die kriebelbeesten
niet best begrepen, hielpen ze toch ijverig mee, de wantsen tusschen de opgehaalde
flapkluiten op te zoeken.
Die waterwantsen zijn al even merkwaardig en grillig gevormd als hun talrijke
verwanten op het land. Een paar flinke slagen geven ons daarvan al direct een beeld
(zie fig. 1).
Om te beginnen wemelt het van Corixa’s, bootjesvormige wantsen. Hun achter-
pooten zijn flinke roeispanen. In het water kunnen ze er zich zeer snel mee voort-
W bewegen, maar op het land maken ze slechts onhandige sprongen. Ze zijn de eenige
1) Verricht voorjaar 1938 tijdens het practicum voor dier­ethologie op het Zoölogisch Labo-
ratorium te Leiden, aangevuld met najaarswaarnemingen.