HomeDe gevolgen van de december-vorst voor de plantengroeiPagina 3

JPEG (Deze pagina), 1.24 MB

TIFF (Deze pagina), 10.15 MB

PDF (Volledig document), 10.91 MB

8 N N N N N N N DE LEVENDE NATUUR
jaren wordt daarom, vooral door Russische en Duitse onderzoekers het vraagstuk
anders aangepakt en zoekt men de hoofdzaak in de beschadiging die het bevriezen,
maar vooral het ontdooien op de protoplast uitoefent. Liet de Rus ILJIN het ontdooien
onder allerlei voorzorgen plaats vinden, dan werden veel lager temperaturen door-
staan dan anders.
Het protoplasma is opgebouwd uit een stelsel van kolloïde stoffen; om ons een
voorstelling daarvan te maken, denken we aan lijm of stijfsel en nu weet iedereen wel,
dat bevroren stijfsel totaal van eigenschappen veranderd is en na ontdooien niet meer
als plakmiddel dienst kan doen. Zo zouden ook de nog veel ingewikkelder kolloïden
van de levende protoplast door het ontdooien totaal gedesorganiseerd worden.
Hoewel de samenstelling van deze kolloïden in fijnere details nog onbekend is,
bezitten we in de viskositeit of kleverigheid ervan een goed middel om veranderingen
van de struktuur na te gaan. De viskositeit van stroop is veel groter dan die van
water, dat blijkt uit de verschillende manier, waarop ze uit een opening vloeien en
uit de langzaamheid waarmee een zwaar voorwerp zoals een lepel erin zakt. Op het
laatste berust de bepalingsmethode van de viskositeit, wanneer men met behulp van
de centrifuge konstateert, dat de deeltjes in een viskeus milieu moeilijker naar buiten
verplaatst worden.
Bij vergelijking van de resistentie van de cellen tegen bevriezen en van de viskosi-
teit blijkt er een verregaande overeenstemming. De proeven werden genomen met de
bladeren van ’s winters groenblijvende planten zoals Klimop, Huislook en dikbladige
Steenbreek (Saxifraga cmssäolia of cordgfolia). Men vond, dat de resistentie tegen
lage temperaturen toenam als de planten tevoren in betrekkelijk koude omgeving
geweest waren. Terwijl b.v. Klimop en de bedoelde Steenbreek in Augustus bij
-4° C en -5° C doodvriezen, doen ze dit in December eerst bij - 25° C en
-­18° C en de veranderingen in de viskositeit gaan hiermee parallel.
Hiermee klopt ook, dat de oudere waarnemingen ons leren, dat planten des te i _
resistenter zijn, naarmate hun weefsel minder waterrijk is. Bekend zijn de proeven
van BECQUEREL, die de in vacuo gedroogde graankorrels 70 uur op -2540 C
bracht, waarna nog 80 % ervan kiemde. Sporen van de mannetjesvaren verloren
zelfs bij ··-2700 C hun kiemkracht niet. ]uist die rustende sporen en zaden zijn
gekenmerkt door een biezonder viskeus protoplasma.
Wat bij dit viskeus worden van de kolloïden van het protoplasma gebeurt, kan hier
niet uitvoerig besproken worden, maar ik wil alleen erop wijzen, dat het aan de
kolloïden gebonden water relatief blijkt toe te nemen, terwijl het vrije water afneemt.
De resistente plant houdt dus een zekere hoeveelheid water zo stevig aan zijn kolloïden
gebonden, dat het niet of slechts moeilijk bevriezen kan.
Wat gebeurt dus bij het harden tegen lagere temperaturen? Enerzijds wordt het
weefsel waterarmer, er is minder vrij water en·de hoeveelheid ijs, die bij vorst kan
ontstaan is minder groot, wat beschadiging voorkomt en waardoor de hoeveelheid
water, die bij het ontdooien in aanraking kan komen met de levende protoplasten
kleiner is. Anderzijds is de resistente protoplast gekenmerkt door meer gebonden
»