HomeOntwerp van het eerste boek van een wetboek van strafregtPagina 8

JPEG (Deze pagina), 776.40 KB

TIFF (Deze pagina), 4.98 MB

PDF (Volledig document), 12.24 MB

6 r
in de gelegenheid moet gesteld worden zich door berouw l
en boetedoening uit den ellendigen toestand op te heffen,
waarin hij vaak door opvoeding, verwaarloozing, gemoeds­­ l
toestand en lotgevallen gestort is. Brengt men hem ter t
dood, ja! dan zullen er voorbeelden aan te wijzen zijn, dat
menschlievende toespraken hem met een naderend einde
verzoenen kunnen, doch welke verwachtingen mag men
koesteren van een plotselingen overgang uit den diepst
bedorven zielstoestand tot berouw en ootmoed, tot eene
bereidwillige overgave aan den Hemelschen Regter! Meestal
is de vreeze des doods en de nimmer uit te blusschen hoop
op de genade des wereldlijken regters het bedriegelijk
waas, waaronder hartstogt en boosaardigheid voor een wijl
verscholen blijven, en waardoor een sclzün van bekeering
voor wezen wordt aangezien.
Zonder dien diep gevallene voor een groot deel van zijn ‘
leven af; ban hem uit de menschelijke zamenleving: zijn ,
toestand op deze wereld zal vreeselijk zijn, maar zijne
ziel niet tegelijk met het ligchaam verloren gaan en wel- §
ligt door berouw en boetedoening behouden blijven. Wij Q
hebben eenmaal een ter dood veroordeelde tot bijkans aan l
den voet van het schavot gadegeslagen en een ander,
nog kort geleden, in eene naburige buitenlandsche cellen- {
gevangenis, tot levenslange opsluiting veroordeeld, aange-
troffen. Beide hadden, op jeugdigen leeftijd reeds, moord E
en diefstal op hun geweten. Voor menigeen zagen wij het
doodvonnis in langdurige gevangenisstraf veranderd, maar
voor allen rees bij ons, en zeker bij de meesten die deze
ongelukkigen omringden, de wensch op, dat men bij het
geschonken leven nog die gunst mogt voegen, in lang- ,
durige afzondering de geschonden goddelijke en menschc·· l
lijke wetten te mogen boeten. Voor den onbekeerlijke zou
dan die straf waarlijk tucht, voor den gevallene de pas niet
afgesneden zijn om eenmaal in de maatschappij terug te
keeren. Vraagt men nu tot welk een duur men eene straf,
die de doodstraf moest vervangen, zou behooren op te voe-
ren, dan aarzelen wij niet onze gedachte daarover uit te
spreken. Zoo als de zaak in de memorie van toelichting
wordt uiteengezet, zullen slechts in hoogst zeldzame ge-
vallen en de zwaarste misdadigers de doodstraf te vreezen
V hebben, en dan vallen bedenkingen en bezwaren die de W
philanthropie zouden kunnen doen gelden, weg. Er moet
toch niet alleen gestraft, maar dikwijls ook onschadelijk
worden gemaakt, zoo dat men aan zulke doodschuldigen eene
vijftienjarige cellenstraf met verdere levenslange verbanning
zou kunnen opleggen; met uitbreiding tot eene twintig- l
jarige opsluiting, indien het beginsel van verbanning in de
wet niet mogt worden opgenomen. In de waardering der
regering zelve aan de cellenstraf gegeven, zouden die 20
jaren met 33 jaren gemeenschappelijke opsluiting gelijk staan.
Wij hebben deze korte beschouwing over een onderwerp,
dat ten allen tijde zoovele pennen in beweging heeft ge-
bragt, geheel als eene individuele meening aangevoerd. Zij
kan niet ontijdig worden genoemd, al is welligt de tijd