HomeOntwerp van het eerste boek van een wetboek van strafregtPagina 4

JPEG (Deze pagina), 746.11 KB

TIFF (Deze pagina), 4.94 MB

PDF (Volledig document), 12.24 MB

2 .ï
En het is juist die eenheid, welke wij in het wetsontwerp
te vergeefs zochten, met het oog ndmelä/c op de keuze van l
een aan te nemen gevungenisstelsel. Niettemin blijkt uit de ‘
memorie van toelichting, dat de minister meer dan ooit
tot de overtuiging gekomen is, dat het cellulaire stelsel
de voorkeur verdient: ,,E[et wint meer en meer veld in de Z,
openbare meaning en krijgt allengs meer voorstanders," J
lezen wij daar. l
Verder zegt hij: ,, De gezamenlijke opsluiting klemt T
voor vele misdadigers te weinig, vooral voor de meest ver- ’
dorvenen onder hen. Zij doet de minder slechten in den
regel tot het peil der slechtsten afdalen. Zij is een gruwel ,
voor hen, die, nog eene goede gezindheid hebbende, door l
den dagelijkschen omgang met diep zedeloozen besmet L
worden: kwade zanzensprekingen bederven goede zeden.
Bij onderlinge afzondering daarentegen ligt de zwaarte der
straf vooral in de eenzaamheid, zoo s'rijdig met ’s menschen
gezelligen aard; die straf klemt dus op zich zelve zwaarder.
Zij hehoedt de beteren tegen de besmetting van kwade
voorbeelden. Zij maakt den gevangene, aan zijne gedachte ·
overgelaten en slechts afgeleid door toespraken, dieten
doel hebben iets goeds in zijn hart achter te laten, vat-
baar voor zedelijke verbetering?
Wij hebben met dankbaarheid akte genomen van eene j
verklaring, die, zoo ver wij weten, nog nooit zoo onbe-
wimpeld aan den mond van zulk een hoog geplaatst staats-
ambtenaar is ontglipt. '
De vraag, die wij ons nu met bescheidenheid ter beant-
woording gesteld hebben, is deze: of de voorkeur aan het
afzonderingsstelsel gegeven, voornamelijk ten grondslag is
gelegd voor het meergenoernde wetsontwerp, dan of men
nog met zekere sehroomvalligheid is te werk gegaan en
op twee gedachten gehinkl. heeft?
Als wij het laatste meenen te mogen beweren, dan zien.
wij daarbij het moeijelijke standpunt niet over het hoofd,
waarop de ontwerper geplaatst is, die geroepen is in een
tijd van overgang, nieuwe inzigten, nog niet algemeen C
gedeelde beschouwingen, in een ontwerp op te nemen, dat
wel scheen voorbeschikt te zün om nooit tot wet te worden
verheven. Doch men vergete niet, dat er alweder zoo
vele jaren verloopen zijn, sedert in 1.847 het laatste ontwerp
het lot van de vroegeren deelde, en dat juist in het laatste
twaalfral jaren de proef hier te lande geleverd werd, die
den grondslag moest leggen tot het gebouw dat nu staat
opgetrokken te worden.
Tijdens de aanbieding van vroegere ontwerpen, ja zelfs
bij het in het leven roepen der wet van 29 Junij 1854,,
werd bij de behandeling der vraag welk stelsel men zou
aannemen, het oog steeds naar den vreemde gerigt, en
hoewel men nog den blik daarhenen wendt, en met gretig-
heid naar stemmen luistert, van dáár tot ons gerigt, moet
ieder onbevooroordeelde dat mistrouwen in eigen rijpe
ervaring, bij zulk een hoogst gewiglig vraagstuk, billijken
Doch, nu die stemmen van verre en van nabij in het vol-