HomeOntwerp van het eerste boek van een wetboek van strafregtPagina 18

JPEG (Deze pagina), 668.56 KB

TIFF (Deze pagina), 4.41 MB

PDF (Volledig document), 12.24 MB

16 `
dat geroep van ,,ilc wil niet meer iu de eel" zullen hooren
aanbeden, vooral in de eerste dagen, als het zoo heftig
bewogen gemoed tot rust cn tot inkeer in zich zelven komt.
ls de genoemde cipier zoo gelukkig van eenmaal aan
het hoofd eener zuiver cellulaire inrigting geplaatst te _
worden, dan zal hij ongetwijfeld beter leeren instemmen j
met de gevoelens van mannen als Fueslin, Röder en ande-
ren, en dan welligt gevolgtrekkingen, uit één enkel geval, t
leeren maken, die bij deskundigen meer ingang vinden.
Doch wij moeten eindigen. Met vrijmoedigheid hebben
wij onze beschouwingen over het wetsontwerp in het j
midden gebragt en met innige overtuiging ­ door vele ‘
jaren van ondervinding geleid - het wenschelijke er van `
trachten aan te toonen, dat er nu niet weder iets ten halve
wordt gedaan, maar dat men van een zuiver standpunt
uitga, van waar het hoogst gewigtig werk aangevangen en
ten einde kan worden gebragt. En dat niet alleen in het be- t
lang der maatschappij, maar ook in dat van die duizenden, `
die daaruit verbannen, hun treurig lot, als gevolg van het p
misdrijf, binnen kerkermuren moeten verduren, en waaruit
men, indien er bij het straffen niet naar zedelijk verbeteren
wordt getracht, voortdurend geslachten van nieuwe mis-
dadigers zal zien geboren worden, die onze gevangenis-
sen bevolkt houden.
Het vorenstaande resumerende, zoudengwij «­ de kwestie
der doodstraf daarlatende ­-· geene andere straffen wen-
sehen bedreigd te zien, dan,
gevangenisstraf,
verbanning en
geldboete,
als naar onze overtuiging voldoende om de veiligheid der
maatschappij te blijven handhaven en het misdrijf te straffen.
Naar ons bescheiden oordeel zouden daarmede overgangs-
bepalingen moeten gepaard gaan, die echter bij de aanne-
ming van het wetsontwerp, zoo als het dáár ligt, ook niet
kunnen worden gemist; want bij de vaststelling van uiyf
jaren gevangenisstraf zal het bestaande aantal cellen op
verre na niet toereikende zijn.
Daar dit bezwaar als van overwegenden aard tegen onze
beschouwingen zoude kunnen worden aangevoerd, meenen
wij met bescheidenheid de vraag te mogen doen, of men l
niet aanvankelijk voort zou kunnen gaan, met de regtspraak
tot óeielerlci straffen, zoo als thans geschiedt, te behouden, {
liever dan het oogenblik af te wachten dat alle cellulair
veroordeelden, ook die tot langdurige straffen veroordeeld,
kunnen worden opgenomen? vele, zeer vele jaren zullen
dan nog verloopen, en menigeen in de gemeenschap verlo-
ren gaan, die anders, bij plaatsing in het steeds aangroei­
jend aantal cellen, behouden hadden kunnen blijven.
S. COOL.