HomeOntwerp van het eerste boek van een wetboek van strafregtPagina 10

JPEG (Deze pagina), 731.20 KB

TIFF (Deze pagina), 4.93 MB

PDF (Volledig document), 12.24 MB

S
zoo leert de ondervinding, dat die schande doorgaans de
betrekkingen meer treft dan den gevangene zelven, en dat
het infamerende voor hem eerst aanvangt na zijn ontslag.
De recidivist en de habitués der gevangenissen mogen ge-
slepen genoeg zijn hun misdrijf binnen zekere grenzen van
strafbaarheid te houden, ten einde aan de moet te ontgaan;
de massa, voor het eerst misdrijf plegende, spiegelt zich
bij het doen van het kwaad, wél de kans van straf te
ontgaan, maar zelden die van den aard der straffen, welke
haar te wachten staan, voor den geest. Met bescheidenheid
die zaak aan beter oordeel overlatende, gelooven wij toch,
dat de volksschatting zich in den regel bij den duur der
gevangenisstraf zal bepalen, en dat het afschrikkende van
bedreigde tuchthuisstraffen, in tegenoverstelling van gevan-
genisstraf, vooral bij het wegvallen der kriminele en kor­
rektionnele onderscheiding en bij eene eventuele beregting
van alle strafzaken door Raden van Justitie, weinig aan {
het doel zal beantwoorden. ·
In den geest van een boetestelsel, dat bij het straffen en
beteugelen van het kwaad geene eerloosheid meer wil op-
gelegd zien, zou men straffen, die den misdadiger den
terugkeer op den weg der beterschap moeijelijker maken,
moeten afkeuren.
IVO
Naar aanleiding van de in het vorig artikel geopperdc
bezwaren tegen de opname in de wet van tweederlei
Juclrlàzaisstrqfm, kan het geene bevreemding wekken, dat
wij slechts ééne soort van gevangenisstraf voorstaan. Acht
de Regering het niettemin raadzaam eenige onderschei-
ding vast te stellen, tot verzwaring der straf voor hen
die tot langdurige straffen veroordeeld worden, wij zouden
het betreuren, doch de wet zou gereedelijk daarin kunnen
voorzien, door aan de zoodanigen gedurende de gevangenschap
voorregten te onthouden, die aan anderen worden toegestaan. '
Deze kunnen niet alleen gevonden worden in een minder th
aandeel van het arbeidsloon, maar ook in menig ander op- ¤
zigt, dat in staat is het lot des celbewoners dragelijker te
maken. Daartoe behoeven geene andere gestichten te worden
l iugerigt, en is een uitwendig teeken aan de cel, zoo als
wij het kort geleden nog in eene nieuwe buitenlandsche
gevangenis opmerktcn, voldoende.
_ Welk eene vereenvoudiging de regtspraak tot ééne ge-
vangenisstraf - alleen verschillend in haren duur - ook in
de kostbare administratie van het gevangeniswezen zou op-
leveren, laten wij nog buiten de rekening. Zeker is het,
dat eene zuivere opvatting van het penitentiair systeem tot
niets anders kan leiden.
Wij hebben de in art. 3 genoemde straffen alleen beschouwd
me! áaepassmg op het gemmgenissielsel. Dit verder wenschende
in acht te nemen, laten wij lr. al z1e¢·árrmzin_q en lr. f geldáocle
buiten onze beschouwing. Wat de eerstgenoemde betreft,
zoo hopen wij haar als een krachtig middel tegen te lange