HomeStaat en kerkPagina 9

JPEG (Deze pagina), 586.65 KB

TIFF (Deze pagina), 6.52 MB

PDF (Volledig document), 6.66 MB

j 7 1928
. zijn geloof worde bevoordeeld of lastig gevallen. Ook mag
hij niet toestaan, dat een lid van een kerkgenootschap
·· als avazöterzzzaï aan een kerkelijke plechtigheid deelneemt.
, De Staat is souverein, moet zijn souvereiniteit hand-
haven, mag zich dus niet stellen onder de voogdij van
eenig kerkgenootschap. De Kerk mag dus geen invloed
hebben op het Staatsbestuur.
De Staat moet gelijkdenkenden gelegenheid geven zich
i ' te vereenigen en aan die vereenigingen gelijke rechten
geven als aan alle andere, doch ook op hare statuten
L controle uitoefenen.
De Staat mag niet het eenea Kerkgenootschap bevoor-
deelen boven het andere. De Staat handhave de rechten
l der verschillende kerkgenootschappen tegenover elkander; _
l ook die van de kerkgenootschappen tegenover hunne leden
, en omgekeerd (recursus ab abusu).
i De Staat handhave zijn recht, onderwijs te doen geven
in overeenstemming met de eischen der wetenschap, zonder
j bijvoeging van theologische zaken, zoodat het voor ieder
geschikt is. `
l De Staat bezoldige uit de Staatskas geen geestelijken
E der kerkgenootschappen. .
i Spreker eindigt dan met eene uiteenzetting, dat z. i. de
§ Staat volkomen vrijheid in de kerkgenootschappen moet
eerbiedigen, doch zich moet kunnen verzetten, indien een
benoeming geschiedt door of onder den invloed van
buitenlanders.
Hij zou in die gevallen, evenals dit in de diplomatie en
bij het consulaat geschiedt, een exequatur verlangen.