HomeStaat en kerkPagina 6

JPEG (Deze pagina), 616.35 KB

TIFF (Deze pagina), 6.60 MB

PDF (Volledig document), 6.66 MB

1928 4
Van een wederopleven was door de veranderde omstandig-
heden geen sprake.
Dan volgt de periode, waarin ten onzent meer dan een
kerkgenootschap wordt gevonden. .
Na de Unie van Utrecht waren de provincies souverein,
en had elk van haar hare eigen synode. Doch deze waren niet
vrij van staatsinmenging; steeds zond het bestuur der
provincie uit zijn midden een paar leden ter synode om =
te waken tegen het nemen van besluiten strijdig met de
belangen van den Staat. Dit systeem werd gevolgd zelfs na
1816, al werd in 1796 de scheiding van Staat en Kerk
geproclameerd. Eerst in 1856 kwam de wet tot regeling
van het toezicht op de onderscheidene kerkgenootschappen;
het directe staatstoezicht verviel, maar de regeling vol-
deed noch aan vrijzinnige noch aan conservatieve eischen.
i Uitvoerig gaat spreker dan de ontwikkeling na van de
l Roomsche kerk ten onzent na 1559. Hij vertelt hoe de
Zeven Provinciën toen missiegebied werden onder pause­ .
lijke vicarissen en schetst den toestand tot het concordaat j
van 1827, waarvan hij den inhoud weergeeft. Moeilijk-
heden ook toen. De regeering wenschte een nationale X
geestelijkheid, niet absoluut onderworpen aan Rome, en i
geen inmenging van de geestelijkheid in staatsaangelegen-
heden. Na de Grondwet van 1848 bleek zij bereid de
1 Roomsche kerk hare aangelegenheden 0p kerkely`k zfewrezvz
zelve te doen regelen, onder toezicht echter van den Staat
en onverminderd de verplichte gehoorzaamheid aan de
staatswetten. Doch sinds 1853 is de bisschoppelijke
Q hierarchie een feit, worden de bisschoppen benoemd door
l den paus zonder medezeggenschap van den Staat, terwijl
zij absoluut onderworpen zijn aan den paus. Onder de
voorschriften, waaraan zij moeten gehoorzamen is er één, ‘
ä dat den paus tot hun politiek hoofd verklaart en dus