HomeDe vereeniging van den Rijkstelegraaf met de Posterijen, wenschelijk in het algemeen belang, vooral van het platte landPagina 11

JPEG (Deze pagina), 820.72 KB

TIFF (Deze pagina), 6.78 MB

PDF (Volledig document), 13.09 MB

~« Y V Y fxmmwwwwif “r“v”w"`« Y
9
Zoolang de telegrafen en de posterüën niet onder één en
hetzelfde hoofd staan, zal tusschen de ambtenaren dier twee
administratiën niet de zamenwerking bestaan, die een vol-
strekt vereisehte is, in het algemeen belang. Onwillekeurig
beschouwt de eene administratie, al wat zij voor de andere
moet doen, als een soort van lastpost. 1Vil men, dat er een
krachtige zamenwerking zü , dan moeten de ambtenaren weten,
dat zü allen onder de bevelen staan en bevorderd worden op
voorstel van denzelfden persoon , en dat gebrek aan dienstijver
of oplettendheid bü het behandelen van een brief, hun even
zwaar zal in rekening gebragt worden , als van een telegram.
lj De pesterijen behooren onder het departement van finan-
, tiën, de telegrafen onder dat van binnenlandsehe zaken; beide
' ministeriën zijn zeer uitgebreid, en welligt veel te omvang-
° rük voo1· één minister, zoodat waarschijnlijk noch de minister
van finantiën, noch die van binnenlandsehe zaken zeer veel
lust zal hebben, om zijn ministerie uit te breiden. Is zulks
` het geval, dan zou men de posterüën en telegraten over kunnen
I brengen bü een ander minder onvangrük ministerie. Welligt
j dat alsdan die minister tüd en lust zal hebben, om onder
t anderen te voldoen aan het voorschrift der wet op de brie-
ii venposterü waarin bepaald wordt, dat die wet vóór 31 Decem-
’ ber 1861 aan eene nadere herziening zal worden onderworpen.
Deze herziening is nog niet geschied, maar wordt met ver-
langen te gemoet gezien, omdat zulks gepaard behoort te gaan
met de invoering van een unitormport van 5 cent.
In het vervolg zou men bij zulk een departement nog kunnen
voegen de exploitatie der staatsspoorwegen, hetgeen vooral
noodig zal zün, zoodra van staatswege tot die exploitatie
moet worden overgegaan
(1) In het rapport aan den Koning van den Raad van Ministers, dato 2
Januarü 1868, leest men onder anderen het volgende: ~Door de her-
stelling der departementen van eeredienst wordt echter niet uitgeslo-
ten de gelijktijdige vervulling daarvan met een ander Departement van
algemeen bestuur, hetzij van de thans bestaande, hetzij van een nieuw daar
te stellen Departement van Nijverheid, indien Uwe Majesteit in de toekomst
daartoe wilde besluiten.~
Hoewel het overbrengen der posterijën en tolegralen bij een ander
ministerie geen bezwaar heeft, zoo zouden wij toch niet gaarne den
raad geven, om te gelijk alles over te dragen, wat in de begroeting
voor binnenlandsche zaken onder afdeeling Nijverheid verstaan wordt, zoo
als visseherijen, mijnen, octrooijen en aanmoediging van kunst en volks-
vlijt, het ijken van maten en gewigten, landbouw, nijverheid, landverhni-
zing, oprigten van fabrieken en tratieken, toezigt op stoomwerktuigon,
vcrleenen van concessiën, enz. Te dikwijls komt de Regering door boven-
genoemde zaken in aanraking met de provinciale en geineentebestnren. Er
is meer kans op medewerking van de zijde dezer besturen, als iets gcvr:m;nl