HomeRechtsgeding tegen Jacob de Vletter, zaakwaarnemer te RotterdamPagina 38

JPEG (Deze pagina), 879.93 KB

TIFF (Deze pagina), 6.87 MB

PDF (Volledig document), 37.50 MB

,», ·
Y
76
Dat den beschuldigde, naar luid der verklaring van vrouw VAN
RAALT, in den morgen van den volgenden dag, Zondag, talrijke
bezoeken door lieden van verschillenden maatschappelijken stand zijn
gebragt o. a. hetgeen ook JOHANNES VAN RAALT heeft gezien, ten
half acht ure door een man wiens hoofd verbonden was ­-
zijnde de beschuldigde dien Zondag des namiddags in zijne woning
geärresteerd door den Commissaris van politie ENGnr,VAAn·r die, nadat
herhaaldelijk was geweigerd de stevig digtgemaakte huisdeur te openen ,
ter uitvoering van den hem gegeven last tot arrestatie, zich toegang
heeft moeten verschalien en dan ook heeft verschaft door de deur van
buiten te doen openbreken (prod. 3);
Dat uit een proces­verbaal van 2 Januarij 1869 door denzelfden
Commissaris van politie op aangifte van den agent Hnnnnrx VVILLEM
Kl.A,SSEN opgemaakt en de vervolgens ingewonnen informatien (Prod.
182 en Bijl.; is bekend geworden dat de beschuldigde in het huis
van arrest te Rotterdam gedetineerd zijnde, heimelijk door middel
van een (om die reden later ontslagen) bewaarder, correspondentie
heeft gevoerd.
Dat de beschuldigde, wiens opgaven reeds gedeeltelijk hierboven
zijn medegedeeld en voor een ander deel kenbaar zijn geworden door het
aangehaalde uit de brochure uopenöaze executie 0/een koudbaalvoor
l politie ezzjustitiezz waarvan hij erkent de schrijver en verspreider te
V l zijn, (conf. Bijl. in D en IG, Z tot D2), in het algemeen heeft beweerd:
dat er onware opgaven worden gedaan , zoo dikwijls hem het uiten
van scheldwoorden of vloeken wordt ten laste gelegd, daar zoowel
het een als het ander tegen zijne gewoonte en beginselen strijdt, ­
dat hi_j, ja, nu en dan, heeft gewezen op handelingen van de politie
‘ welke niet binnen hare bevoegdheid vielen of verkeerd waren te
` noemen, maar, even sterk, aan de politie de hand boven ’t hoofd
lj gehouden heeft zoodra zi_j regt tot handelen had en van dat regt,
op behoorlijke wijze, gebruik maakte, hebbende hij zich voorbehouden
hieromtrent later feiten mede te deelen:
dat hij met den inspecteur MoUi.rJN en agenten van politie wel
verschil heeft gehad betreffende het zwemmen aan de Oude Plantage
in en in de Oost­Vest en bij die gelegenheden een en ander heeft ge-
t sproken, maar niets dat naar opzetting tegen de politie geleek en het
Q, zwemmen in de Vest voor geoorloofd heeft verklaard omdat, zooals
it de agenten zelve hadden erkend, geen verordening bestond waarbij
dit verboden was; dat hij zich niets herinnert van het gesprek
waarvan de agent VAN mm HAM heeft verklaard;
, Dat betreffende den avond van Vrijdag 30 October 1868, door
den beschuldigde wordt opgegeven: dat hij, volstrekt niet wetende
dat er te Rotterdam in de vorige avonden volksoploopen hadden plaats
1
l