HomeRechtsgeding tegen Jacob de Vletter, zaakwaarnemer te RotterdamPagina 13

JPEG (Deze pagina), 838.10 KB

TIFF (Deze pagina), 6.90 MB

PDF (Volledig document), 37.50 MB

l
51
A aanspraak op dc uitkeeringssom zou kunnen gemaakt worden; dat
‘ de beschuldigde vervolgens, met haar goedvinden, de zaak heef`t j
{ behandeld, requesten door haar heeft doen onderteekenen, adver- *
i tentien heeft geplaatst, terwijl zij , alleen als die bijzonder groot waren,
eenig geld moest betalen, daar de beschuldigde te kennen gaf dat hij,
wanneer dit niet het geval was, als redacteur van het Weekblad, ze
zonder betaling kon geplaatst krijgen en ook overigens geen salaris
haar in rekening heeft gebragt; dat hij ook de hierboven medege-
[ deelde advertentie heeft gesteld van welke zij vóór dat die in de
l courant was verschenen volstrekt geen kennis had gedragen;
dat de beschuldigde in zijne brochure op bladzijde 29 de meer-
gemelde advertentie herhaalt na vooraf te hebben gezegd »»Zal ik
mog meer feiten opsommen om aan te toonen dat bij de politie
agruweldaden gebeuren, die de justitie liefst onaangeroerd laat, om-
«/dat degemoederen door de openbare bestraffing gaande zouden gemaakt
uwordenP Moet ik u de geschiedenis herinneren van twee personen,
xzdie in de nacht aan de Melkmarkt te Rotterdam zijn omgeb ....
aomgekomen; .... Ik zal maar besluiten met één advertentie, waardoor
i ude weduwe van een der verslagenen haar wee heeft geklaagd/», - j
A. zijnde in hetzelfde Weekblad van 7 April 1867 onder het opschrift
` «zDie kaaist, moet den bal verwachten/z eene advertentie geplaatst
ij welke door den beschuldigde wordt overgenomen op bladzijde 2li
van zijn boekje, waar over een officier van justitie wordt gehandeld,
j en aldaar ingeleid met de woorden uln het Rozfáezclamscke Weekblad, )
j adat ik Zoen nog sckzeef, las mem; enz.;
j dat hi_j aan den regter heeft opgegeven zich niet met zekerheid
te kunnen herinneren of de in genoemde nummers voorkomende stuk-
ken van hem afkomstig zijn; h
l A
i Dat de beschuldigde, zoo als hij bekent (prod. 164), eenigen tijd ik
later, in October 1867, aan de arrondissements-regtbank te Rot-
l terdam heeft ingediend twee adressen (afschriften L2) het eene
i d.d. 44 October voor D. E. BoU·r1¤N, het andere d.d. 8 October voor f
i DOROTHEA van LEEUWEN, weduwe van Anitrauus om Vos, welke
i vrouwen hij, volgens zijne opgave, geheel belangeloos heeft geassis­ j
­ teerd, beide: grieven inhoudende tegen te Rotterdam gevestigde nota- {U
, rissen, advokaten, procureurs, geneeskundigen en ambtenaren van i
justitie en politie; j
dat de eerstbedoelde zaak door den beschuldigde is ter sprake
gebragt op bladzijde 15--17 van de brochure, alwaar zij wordt aan- .
hangig gemaakt met de volgende tirade: elk ben praktizijn (zaak-
rzwaarnemerj. Zal ik nog eenige honderd bladzijden vullen om u van
»/deze zijde een kijkje in de 1·egts.... ho, wetgeleerde wereld te
»/doen nemen? Maar dan zult gij een menschenhater worden. Die {