HomeNieuwe regeling van de pachtPagina 19

JPEG (Deze pagina), 765.10 KB

TIFF (Deze pagina), 6.32 MB

PDF (Volledig document), 22.14 MB

19
Artikel 1634.
De pachtovereenkomst gaat niet van rechtswege te
niet door den dood van den verpachter of van den pachter.
Nochtans kan de meest gereede der erfgenamen of de
overblijvende echtgenoot zich binnen eene maand na den
dood van den pachter wenden tot den rechter van het kan-
ton, waarin het gepachte of het grootste gedeelte daarvan
' is gelegen, met verzoek:
a. een of meer hunner in de plaats van den overleden
ij pachter te doen treden en de overigen uit de pacht te ont-
slaan;
­ p b. de pachtovereenkomst te doen eindigen.
E Gelijk verzoek om de pacht te doen eindigen kan bin-
` nen den genoemden termijn door den verpachter worden
gedaan.
VVanneer de rechter de pachtovereenkomst ontbindt,
bepaalt hij tevens den dag, waarop de ontbinding ingaat.
Voorts kan hij daarbij aan de wederpartij eene schade-
loosstelling toekennen.
De rechter beschikt niet dan na verhoor of behoorlijke
oproeping der partijen.
Tegen de beschikking van den kantonrechter is geener-
lei voorziening toegelaten, onverminderd de bevoegdheid
van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad om zich,
alleen in het belang der wet, tegen die beschikking in cas-
satie te voorzien.
Elk beding strijdig met eenige bepaling van dit artikel
is nietig.
` Artikel 1636.
Ingeval van opzegging van eene pachtovereenkoinst,
aangegaan voor bepaalden tijd langer dan een jaar of voor
onbepaalden tijd, betreffende los land van meer dan een
Hectare oppervlakte, waarvan de pachtprijs hooger is dan
drie honderd gulden per jaar, of eene hoeve, kan de pach-
ter zich binnen eene maand n·a die opzegging wenden tot
den rechter van het kanton, waarin het gepachte of het
grootste gedeelte daarvan is gelegen, met verzoek de over-
F eenkomst te verlengen.
De rechter willigt het verzoek niet in, indien de pachter
zijne verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen of indien
blijkt van eenige andere omstandigheid, welke ten gevolge
heeft, dat van den verpachter redelijkerwijze niet kan wor-
den gevergd de pachtovereenkomst te doen voortduren.
De termijn, waarmede de overeenkomst door den rech-
ter wordt verlengd, kan nimmer te boven gaan den tijd,