HomeBetoog, ten geleide van het adres, in April 1859, gerigt aan de heeren leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en ten verPagina 12

JPEG (Deze pagina), 592.01 KB

TIFF (Deze pagina), 6.42 MB

PDF (Volledig document), 16.59 MB

V
`I2
VI. Zal eene inlandsehe Loterij, geheel op zich zelve staande,
en dus met die, alleen voor bnitenlandseh debiet geschikt, geene
de minste gemeenschap hebbende, het immer kunnen uithouden
tegen de werking van de laatstgemelde, zelfs bij het opleggen
der verpligting van het niet verkopen van loten, voor het bui-
tenland bestemd en op gekleurd papier gedrukt en gestempeld,
daar het niet is te beletten , dat de buitenlandselie corresponden-
ten deze aandeelen binnen het gebied van den Staat zouden debi-
teren; zelfs tegen verminderden prijs, als hetwelk het ruim bene- ·t
fieie hun toe te leggen zeer wel zou toelaten?
fllyne clamnerkingen op deze VNC emctg.
Zoo erkende dan die Alom, dat de Nederlandsche (toen
Koninnklijke) Loterij het NIMMER een kunnen uitlzouclen tegen
die, alleen eoor lmizfeulcmclscli debiet geschikt, al ivierd de
verpligting opgelegd van het niet verkoopen van loten enz.
Maar zoodanige, enkel voor buitenlandseh debiet bestemde,
loten was eene hersensehimmige verbeelding van den steller
der Alom, door hem ontleend aan het door 1nij verworpen
clenlabeelcl omtrent een Octrool tot sul/c eene Europesche
Loterij.
En zonderling zou, naar de Nom, de geoevfrogeerale mz-
clervzemizrq te werk gaan! Zij zou, door hare buitenlcmdsclze
cowespoïzcleiztevz, alhier, tegen eernziïzclerclen prijs, doen ver-
koopen! Dan zou zij toch liever zich bij haar lmitenlcmclseh
bebiet, legen niet vsewizlzzclerclezz prys, bepalen. _
VII. Eene laatste en niet minder geivigtige vraag is deze, kan
eene goede Staatkunde gedoogen eene Loterij-Bank, voor buiten-
landsch debiet bestemd, te oetroijeren in de tegenwoordige ge-
steldheid van Europa met opzigt tot de Loterijen, en in verband
tot den Nederlandsehen handel aangaande het binnelanndseh de-
1 biet, en ter zijde gesteld zijnde de beoordeeling der innerlijke waarde
van de klassieale Loterijen, doet zich de volgende vraag op: