HomeOude wijsheidPagina 7

JPEG (Deze pagina), 939.29 KB

TIFF (Deze pagina), 8.92 MB

PDF (Volledig document), 21.04 MB


x ­ ‘
ij s
4 . 5 j
l hoeken werden opgedolven, en dien tengevolge het geheel nieuwe en j
belangrijke vak van wetenschap ontstond, ’t welk men tegenwoordig j
l gewoon is aan te duiden onder den naam van Indologie. Doch ook na
de nieuwere en dieper in ’t wezen der zaak doordringende onderzoe-
_ kingen is het boek van Rogerius nog in 't geheel niet van belang j
, voor de kennis van Indië ontbloot. Vel heeft hier en daar de schrij- g
« ver zijn leermeester blijkbaar niet regt begrepen, of heeft deze zelf *
hem sommige zaken verkeerd voorgesteld, en wel ook schrijft en ver-
klaart gene de Indische woorden menigmaal op eene wijze, die duidelijk
genoeg bewijst dat hij zelf er niets van verstond; doch zóó grove dwa-
lingen en zulke bepaalde dwaasheden als sommige oppervlakkige nieu-
were schrijvers, en vooral Fransrhe, ook na de openstelling der bron-
nen zelve, nog over Indische begrippen en toestanden ter markt plegen
; te brengen, zal men bij den onzen niet aantreffen, maar integendeel
een aantal bijzonderheden, die tegenwoordig door het Indologiseh on-
I, derzoek volkomen bevestigd worden, terwijl ook de verklaringen der
spreuken zelfs nu nog, gelijk ook Bohlen getuigt, van veel nut kun-
I nen zijn ter opheldering van sommige duistere plaatsen in den oorspron-
kelijken tekst. Daarenboven kenmerkt zich het geschrift van Rogerius
door eene eigenaardigheid, welke wij niet mogen nalaten te doen op-
merken alvorens van deze korte uitweiding tot ons eigenlijk onderwerp
terug te keeren, ­- de bijzondere onpartijdigheid namelijk, waarmede
hij doorgaans al wat hem door zijn vriend Padinanaba omtrent de gods-
dienstige en wijsgeerige begrippen der meer beschaafde en verlichte
Indiërs verhaald werd, aan zijne VVestersche lezers mededeelt. Zelfs "
komt men hier en daar tot het vermoeden, dat hij over ’t algemeen
nog vrij wat meer met dat een en ander was ingenomen dan van een
Christen­zendeling van eenigsins strenge rigting in de zeventiende eeuw
verwacht kon worden, ’t geen dan almede het gevoelen van een kundig ‘
, Fransch schrijver, de Janrigny, schijnt te helpen bevestigen, dat Eu-
j ropeanen, na lang verkeer met verlichte Hindoe’s over ’t geheel meer
l kans loopen geïndianiseerd te worden dan gene om zich aan onze VVes­
tersche begrippen gewonnen te geven.
j Wat nu de spreuken zelve van onzen Bhartrihari betreft, eene be-
i paald diehterlijke waarde of een diep wijsgeerigen zin zoeke men daarin
niet. Volkswijsheid neemt zelden eene hooge vlugt, maar blijft uit
den aard der zaak doorgaans vrij laag bij den weg. Ook zal men er
evenmin iets wezenlijk nieuws in aantreffen; integendeel niet veel anders
i dan voor ons nog al oude waarheden, zij ’tdan hier en daar in eigenaar-
I digen, soms niet onbcvalligen vorm opgedischt. Doch, bedriegen wij
ons niet, dan ligt juist daarin het belang der zaak. Vant op nieuw
g zal er uit kunnen blijken, hoe op zedelijk gebied de bijzondere vorm
der godsdienst bij eene overigens beschaafde en doordenkende natie zoo
goed als van geen invloed op de heerseliende begrippen is, en algemeen
inenschelijke waarhelen geene verandering ondergaan, ’t men dan
J V

if
ilxf