HomeOude wijsheidPagina 20

JPEG (Deze pagina), 849.18 KB

TIFF (Deze pagina), 8.82 MB

PDF (Volledig document), 21.04 MB

,4
ai
5.
18
ll
het kluizenaarsleven, ’ t geen dan ook aangeprezen wordt boven een, ¤q
van de rijken en magtigen afhankelijk bestaan:
l
l De vruchten van het veld, de sehaüw der hooge boomen,
De dronk uit koele bron, het bad in frissche stroomen,
Het zachte blaadrenbed, een leven vrank en vrij, .
Is ’t uwe, en - aan de deur der rijken bedelt gij!
Naauwlijks noodig schijnt de opmerking dat gevoelens als de hier
uitgedrukte, wel 11iet van denzeliden dichter afkomstig kunnen zijn,
dien wij straks een nuttig, arbeidzaam leven met en voor anderen
hoorden aanbevelen en de deugd gering achten, die niets tot stand
brengt. ’V
Met het vaarwel van den kluizenaar bij ’t einde des levens aan de ·
natuur, vertegenwoordigd naar Indische voorstelling door de vijf ele-
· menten, besluiten wij thans onze aanhalingen. Na lang in de wereld
der eindige verschijnselen te hebben omgezworven, gaat de wijze teu
laatste de voortaan onverstoorbare rust zoeken in de volkomen veree- j
niging met het Alwezen, waarin zijne eindige persoonlijkheid wordt
opgelost: é
l
Aarde, gij mijne moeder! en gij, mijn vader, de storm wind!
Gij, o vuurgloed, mijn vriend! mijn vertrouwde, de stroom!
Aether, gij ook mijn broeder! Vaartwel! Mijn uur is gekomen.
Lang hebt trouw ge met mij, lang heb met u ik geleefd.
Vrij van drift en begeerte, als dc vlam door togt niet bewogen,
VV:-zndt, gereinigd, mijn geest blij zich tot de eeuwige rust.
.En welke conclusie mogen wij thans, ook al ware ’t alleen maar
na deze vlugtige bloemlezing uit den rijken schat van Indische spreu~
ken, en al stonden ons ook geene andere bronnen ten dienste, om- ·
trent den geest en de zedelijke begrippen van het meer beschaaüle deel
althans der Hindoe­bevolking opmaken? Toch waarschijnlijk wel dat
gemis aan gezonde morele denkbeelden den beschaafden Indiër moeilijk
te verwüten valt. En geenszins te gewaagd dunkt ons nu ook de vraag,
wat men dan toch buiten en behalve hetgeen zijne eigen wijzen hem
leerden, op ethieseh gebied hem nog zou wenschen te verkondigen?
Of leert onze VVestersche moraal meer en andere deugden dan die,
welke wij door de Oostersche hoorden aanprijzen? Of veroordeelt ze
nog andere ondeugden dan ook door gene gebrandmerkt worden? Zou
een onderwijzer bg eene Nederlandsche openbare lagere school geacht
kunnen worden, iets anders of minder aan züne scholieren in te pren-
ten dan >><·hristelijke en xnaatsrliappelijko deugden" indien hij zijn ze-
dekundig ouderrigt eens uitsluitend uit Bhartrihari’s spreuken putte?