HomeOude wijsheidPagina 19

JPEG (Deze pagina), 774.89 KB

TIFF (Deze pagina), 8.89 MB

PDF (Volledig document), 21.04 MB

l
x
ä E
17 ?
breidheid niet lang nog geleden vrij ernstig, zü ’t ook op zeer zwakke
E gronden, werd betwist, - eene stelling voor ’t overige, die ook lang
reeds vóór de verzameling der hier behandelde spreuken in de oude 4
l heilige boeken der Indiërs verkondigd werd, en later ook in ons VVes- j
ten niet weinig ijverige voorstanders gevonden heeft, gelijk ze almede - -
bij de nieuwere Perzische wijzen , met name bg den beroemden Djellal- ( i
ed­din Roemi, als schering en inslag uitmaakt.
Een ander, van het evenbedoelde overigens bezwaarlijk af te schei-
den beginsel der Vedanta-school vinden wg in de volgende regels,
het beginsel namelük, dat alle verschijnselen zonder uitzondering ver-
gankelijk zijn, en alleen het Wezeii het blijvende in de steeds wisse-
lende gedaanten is:
Het leven snelt voorbij, de jeugd duurt korte stonden,
De rijkdom is een droom, een onweersstraal ’t genot,
De liefde één vlugtge kus; slechts wie de Godheid vonden,
Staan vast in ’s levens zee, hoe wisslend ook het lot.
Van nagenoeg gelijke strekking schijnen ons de verder volgende, schoon
het antwoord niet uitdrukkelijk gegeven wordt:
Geniet wat de aarde u schenkt, vier bot aan al nw lusten,
WVat dan? · ·
3 Laat straks op ’s vijands nek uw voet verwinnend rusten,
Wat dan?
Verzeker vrienden u, verzamel u een schat, _
jj ‘ Wat dan?
Leef tot der dagen eind, en sterf des levens zat,
Wat dan?
De oplossing zal hier, als in het voorgaande, wel zijn, dat het be-
staan alleen van dien mensch, die het Wezexi der dingen leerde ken-
_ nen in zich zelven, niet üdel en doelloos is. I/Vie voor ’t overige aan
God of aan Goden buiten zich en buiten de wereld gelooft, kan even-
min aanspraak maken op den naam van een regten wijze als degene
die de vergankelijke dingen niet veracht:
Magt en eer en pracht en weelde
Ziet de ware wijze noö.
Brahma, Indra, al uw Goden
Gelden hem geen handvol stroo.
Heehtend aan die ijdelheid,
Dient gij slechts begeerlijkheid.
Geheel op den weg van dergelüke idealistische en ascetisrhe rigting
als wij in de voorgaande stellingen aantreffen, ligt, schoon het daar-
van nog geenszins een noodwendig gevolg is, de ingenomenheid met
l