HomeOude wijsheidPagina 16

JPEG (Deze pagina), 705.92 KB

TIFF (Deze pagina), 8.77 MB

PDF (Volledig document), 21.04 MB

[
f 2
`
t
Een wreedaard wie naar krijgsroem streeft, _
· ‘Een donioor wie voorzigtig zwijgt, ,
Een lafaard wie geen twist. ooit krijgt.,
I Een ijdle gek een edelman,
Een prater wie goed spreken kan.
Wat deugd is tegen ’t onverstand
Van ’t ligt niisleide volk bestand?
Niettemin heeft toch ook de rijkdom zijne wezenlüke waarde, mits
men er slechts goed gebruik van make:
Drieërlei weg gaat het geld: men geeft, of geniet, of verliest het.
· Wie het niet geeft., noch geniet, verdient ook slechts dat hij ’t verliest.
De stelling moge niet streng economistisch zijn, ze bevat toch eene
· zekere, ’t dan ook eenigzins eenzijdige waarheid. Doch welke nn
ook de voordeelen van den rijkdom zijn mogen, begeerlijklieid en _,.
naar schatten brengen gemeenlijk slechts ontevredenheid en ongeluk (‘_):
Het veld heb ik doorplocgd; ik heb de diepe schachten
Der bergen onigewoeld; ik heb me op zee gewaagd;
’k Heb vorstengunst gezocht; ik heb in donkre nachten i
Daemonen van het graf om raad en hulp gevraagd.
lrVat heeft mij ’t al gebaat, wat won ik ooit daarbij?
Geen penning, slechts verdriet. .. Begeerte, wijk van mij! V
Voor den regten wijze bestaat er ook geen wezenlijk ondersclieid
tusschen rijkdom en armoede, indien hij slechts tevreden kan zijn met
het- hem beschoren lot :
Gij, die in trotsehe kleederpraeht
Mijn needrig boomschorskleed veracht,
Laat u de rijkdom meer voldaan
Dan mij mijn arinelijk bestaan? l
Wie is er arm, wie is er rijk?
Arm slechts wie hecht aan nietig slijk.
En, zg ook de arme nog zoo ellendig, hü wil gemeenlijk toch niet =t
gaarne scheiden van het leven:
Gebedeld brood, tot bed de grond,
Gehuld in schamel kleed,
Zich zelven tot zijn eenig vriend,
Gebogen onder leed, --
Zoo sleept door ’t jammerlijk bestaan
Zich de arme; en toch - hij hecht er aan.
(*) De vierde regel doelt op het bijgeloof, dat begraafplaatsen door een soort van dae-
menen benoond worden, die, bezworen, den 1o<n·e1nnn· vei·bei­g«·n schatten kunnen aan­
wijzen.