HomeVedenstudiënPagina 69

JPEG (Deze pagina), 781.52 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

l l
ä
ll
STROOMEN EN ANDERE DEVASS. I 53
ll
tusschen als deze persoonsverbeelding heeten mag, haar vol-
komen duidelijk te maken gaat bezwaarlijk aan zonder in lange
verklaringen te treden omtrent de gewigtige en hooge beteekenis,
die, zij ’t ook niet in den eersten tijd, toch ongetwijfeld reeds in
den Vedischen aan de otlerande zelve als zoodanig gehecht werd. j
Bijzonder duidelijk blijkt die beteekenis 0. a. uit een der bo-
vengenoemde ]31‘$il.llI11&llë,’S, en wel uit het Aitarêya-Bràhmanam,
door Hang uitgegeven en met behulp van opzettelijk daartoe K
door hem omgckochte Brahmanen verklaard; een ongetwijfeld
hoogst belangrijk, maar niettemin onbesclirijfelijk vervelend
boek, waarvan M. Müller ook met veel regt kon zeggen.
"Most of it is simply twaddle, and what is worse, theological 1
twaddle." Enkele trekken uit zulk een werk thans aan te
halen, zou ons evenwel niet veel verderbrengen; en ook hier
alzoo hebben wij met de bloote vermelding van het bovenaan-
" geduide feit ons tevergenoegen. Evenmin ook valt zonder eene
uitvoerige verklaring van den zin, aan het oller gehecht, eene
ongetwijfeld nog zonderlinger voorstelling van den ltig-Veda te
begrijpen, zoo die trouwens al door middel van dusdanige ver-··
j klaring in waarheid begrijpelijk te maken zijn mogt: de voor-
stelling nl. van den Poeroesha, of den (lod-menseli, die zelf
I door de l.)eva’s geotlerd wordt, en door wiens otter vervolgens
l de grootheid en menigvuldigheid van het heelal ontstaat. lfn
den lateren Veda, den Atharva, ontmoeten wij voorts nog ver- E
scheidene l)eva’s, die met de oll`erande in verband sta.an, zoo-
' als o. a. het overblijfsel van het otlervoedsel, dc werktuigen f
bij de plegtigheden in gebruik, de leerling die den priester
volgt, en dergelijke; het een en het ander weer eveneens, in E
idealen zin, met eene deva-natuur bekleed. g
ln denzeliden Atharva-Veda trelten wij almede nog versehei-
l. dene meer abstracte wezens aan, die allen den rang van lleva l
erlangden en waarvan ook de meesten uitdrukkelijk als het
Wezen en de laatste oorzaak der dingen worden vereerd. Zoo
vooral: Prana, de Levensgeest, maar toch ook weer de hemel-
. vorst en bliksenivoerder; Roliita, waarschijnlijk een vorm van
j het vuur en van de zon, maar in zeer afgetrokken zin; Kala,
de Tijd; Kama, de Begeerte, en wel bepaald de seheppings-of
ontwikkelingsbegcerte, die als zoodanig, gelijk wij straks nog
zien zullen, ook in een hymne van den Rig-Veda voorkomt,
en die in later tijd de Tliefde, de Indische Eros werd. Doch,
voorzoover dezen niet eigenlijk meer tot den oud-Vedisehen
5 ­>:­
l