HomeVedenstudiënPagina 66

JPEG (Deze pagina), 470.04 KB

TIFF (Deze pagina), 6.52 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

`
56 vmomsruoriàn. [
De broodo, hoil ons brongondo; W
Boido naar één dool zich spoodond
Als kooijcn naar hare kalvon."
l
"Naar hot dool, ons gcstold door don Dova,
Spoodon wo ons voort mot dio golven, zoo brood;
En do oonmaal aangonomon loop E
Duldt goon vorandring moor. i
Wat bogoort van `do stroomon do Wijzo?"
"Hoort goodgunstig, watorrijko! i
Mijn vloijond woord! y
lüon oogenblik staakt uwo vaart! Ii
Tot do stroomon rigt, hulpbohoovond,
lk, Ko<·çika’s zoon,
Mijno bodo mot hoopvol g()1110C(l.”
I
"Indra, do bliksomdragor, j
llcoft don wog ons gobaand, toon hij Vritru, v
Don stroombodwingor, vorslocg,
Ons loiddo Savitar, ij
Do sohoonhandigo, glanzondo;
En, hom gohoorzaam, ii
Stroomon, broodgolvond, wij voort." W
"To roomon is dio holdon<laa<l, r
Dio daad van Indra voor innnor,
Toon Vritra hij vorsloog. .
Mot don bliksomstranl sloog hij l
Do bolcgoraars allo;
En vrij Woêr vlooidon ‘ Q
Do waatron, naar vrijhoid vorlang>;ond," nl
"Vorgoot dat woord niot, o zangor!
Wat andro tijdon ook vorkondon.
Spaar ons voor smaad, on godonk ons, i
Dichtor! in uwo zangon! ` `
Eoro ook zij u ondor monscl1on!" j
l
"Gij znstoron! hoort naar don zangor!
Met wagon cn paardou kwam hij van v<=rr«·.
ë
W l

rl
l